← Week 51

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 december 2008

Doorschakeling bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:11 BW en tegenbewijs bij artikel 2:248 BW

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een curator spreekt een keten van bestuurders aan, bestaande uit twee rechtspersonen en een natuurlijke persoon, voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De A-G concludeert dat artikel 2:11 BW de aansprakelijkheid doorschakelt tot de natuurlijke persoon aan het einde van de keten, ook als die derdegraads bestuurder is. Ook het oordeel over het tegenbewijs bij artikel 2:248 BW houdt volgens de A-G stand. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De klachten falen. Het hof gaat in de bestreden rov. uit van een juiste rechtsopvatting. In de parlementaire geschiedenis van art. 2:4a oud BW thans art. 2:11 BW wordt het volgende opgemerkt(2): "(...) Die oplossing komt erop neer, dat als het ware wordt heengezien door de rechtspersoon-bestuurder en dat naast de rechtspersoon ook haar bestuurders (natuurlijke personen) aansprakelijk worden in de gevallen waarin de wet de aansprakelijkheid van bestuurders regelt. Is een van die bestuurders weer een rechtspersoon, dan geldt voor die rechtspersoon hetzelfde enz. (...)" 3.3 In de toelichting onder 8 klaagt het middel dat een dergelijke verstrekkende uitleg onjuist is gelet op de uitleg van de Hoge Raad in het zgn. Montedison-arrest(3) om art. 2:11 BW niet toe te passen op anderen dan de bestuurder van een eerstegraads bestuurder, in casu een feitelijk beleidsbepaler. 3.4 De klacht faalt. De Hoge Raad heeft in het Montedison-arrest voor zover relevant geoordeeld: "4.14 (..)Volgens art. 2:11 rust de aansprakelijkheid van een rechtsperoon als bestuurder van een andere rechtspersoon op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Een verdere uitbreiding van de aansprakelijkheid tot degene die het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, is in art. 2:11 niet gegeven. Weliswaar is in de in art. 2:138 lid 7 en 2:248 lid 7, de in de eerste leden van die artikelen gegeven […]”

r.o. 3.2

“De klacht faalt. De Hoge Raad heeft in het Montedison-arrest voor zover relevant geoordeeld: "4.14 (..)Volgens art. 2:11 rust de aansprakelijkheid van een rechtsperoon als bestuurder van een andere rechtspersoon op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Een verdere uitbreiding van de aansprakelijkheid tot degene die het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald, is in art. 2:11 niet gegeven. Weliswaar is in de in art. 2:138 lid 7 en 2:248 lid 7, de in de eerste leden van die artikelen gegeven aansprakelijkheid van bestuurders van naamloze, onderscheidenlijk besloten vennootschappen in geval van faillissement, uitgebreid tot degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, maar deze uitbreiding is daar uitdrukkelijk beperkt tot de toepassing van deze artikelen. Er is geen grond deze uitbreiding bij wijze van analogie ook van toepassing te achten in de gevallen waarop art. 2:11 ziet. (..) De Hoge Raad heeft in dit arrest niet bepaald dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op derdegraads formele bestuurders. 3.5 In de toelichting onder 9 voert het middel nog aan dat de Hoge Raad in HR 21 juni 1996, NJ 1997, 376 uitbreiding heeft tegengehouden van bestuurdersaansprakelijkheid voor schulden die niet eigen schulden waren van de betreffende rechtspersoon, maar van de fiscale eenheid waarvan de rechtspersoon deel uit maakte, omdat op die manier een […]”

r.o. 3.4

“De klacht faalt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat 'stapeling' van bestuurdersaansprakelijkheid indien nodig tot de mogelijkheden behoort. 3.9 De toelichting onder 11 klaagt dat, voor zover het hof bedoeld heeft naast de oorspronkelijke eerstegraads bestuurder alle natuurlijke personen aansprakelijk te houden die direct of indirect bestuurder zijn, het gelijkheidsbeginsel zich verzet tegen dit onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen. Tussengeschakelde rechtspersonen tussen de eerstegraads bestuurder en de natuurlijke personen zouden dan niet aansprakelijk zijn. 3.10 De klacht mist feitelijke grondslag. 3.11 De toelichting onder 12 klaagt dat het EU-recht, althans het gelijkheidsbeginsel tussen EU ingezetenen, zich tegen een dergelijke uitleg als toegepast door het hof verzet. Het doorschakelen van een dergelijke aansprakelijkheid van de oorspronkelijke rechtspersoon totdat alleen nog maar natuurlijke personen resteren als aan te spreken partij kan volgens het middel alleen wanneer art. 2:11 BW ook op de tussengelegen rechtspersonen van toepassing is. 3.12 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof geeft in rov. 4 van het tussenarrest duidelijk aan dat indien [eiseres 3] aansprakelijk is als bestuurder van Westland, haar bestuurder [eiseres 2] eveneens hoofdelijk aansprakelijk is. In dat geval is [eiseres 2] volgens het hof als bestuurder van een andere rechtspersoon aansprakelijk, zodat het artikel ook op haar van toepassing is, hetgeen […]”

r.o. 3.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2008:BG3579
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 december 2008
Datum publicatie
19 december 2008
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:11 BW, 2:248 BW, 2:4a BW, 2:138 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 51 van 2008

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.