Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 februari 2009
Misbruik identiteitsverschil stichting en beheerser; onttrekking pand aan verhaal crediteuren
- Overig Boek 2
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator stelt dat een stichting onrechtmatig handelt door mee te werken aan een constructie waarmee een woonpand aan het verhaal van de crediteuren van de gefailleerde oprichter is onttrokken. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: het oogmerk van degene die de stichting beheerst geldt rechtens ook als haar oogmerk. Ook het buiten het vermogen houden van een goed met het oogmerk verhaal te voorkomen is onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW.
Kernoverwegingen
“Met het oog op de bespreking van de in de cassatiemiddelen opgenomen klachten is het goed eerst kort de gedachtengang samen te vatten die het hof heeft gevolgd om uit te komen bij zijn bekrachtiging van de toewijzing door de rechtbank van de schadevordering tegen [eiseres]. Het hof zet daartoe de volgende stappen: 1. In rov. 4.2 stelt het hof drie algemene juridische uitgangspunten voorop: (i) rechtens behoeft niet te worden gehonoreerd hetgeen door een natuurlijk persoon, die de zeggenschap over twee vennootschappen heeft, wordt beoogd bij het misbruik maken van het identiteitsverschil tussen hetzij deze twee rechtspersonen, hetzij deze rechtspersonen en hemzelf als handelend natuurlijk persoon;((3)) (ii) het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht(4); (iii) de verplichting tot schadevergoeding zal niet alleen rusten op de natuurlijke persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.((4)) 2. Vervolgens formuleert het hof in rov. 4.4. in welk opzicht de Curator [betrokkene 1] een verwijt maakt van misbruik van het identiteitsverschil tussen hemzelf en de twee door hem […]”
r.o. 2.1
“Opmerking verdient dat de cassatiemiddelen I en II geen klachten inhouden waarmee de algemene juridische uitgangspunten in rov. 4.2 worden bestreden. Weliswaar wordt in cassatiemiddel I onder 1.1 rov. 4.2 genoemd als rechtsoverweging waartegen het cassatiemiddel zich keert, maar daarmee alleen kan dat wat het hof in die rechtsoverweging voorop stelt, niet geacht worden voldoende te zijn bestreden. De algemene juridische uitgangspunten in rov. 4.2 kunnen derhalve in cassatie worden aangehouden. cassatiemiddel II 2.3 Cassatiemiddel II bevat in 2.1 en 2.2 geen klachten en in 2.3 t/m 2.7 klachten tegen de hierboven in 2.1, onder 3, kort weergegeven bevindingen van het hof uit diens onderzoek naar de feitelijke grondslag van het verwijt van de Curator aan [betrokkene 1] en [eiseres]. Omdat die bevindingen het feitelijke draagvlak vormen voor het door het hof uitgesproken onrechtmatigheidsoordeel, bestaat er aanleiding om eerst bij deze klachten stil te staan. 2.4 In 2.3 van cassatiemiddel II wordt opgekomen tegen rov. 4.7, waarin het hof zijn bevinding vermeldt dat [betrokkene 1] bij het opzetten van de constructie (de oprichting van de twee stichtingen over welke stichtingen vervolgens de juridische en economische eigendom van het Pand zijn verdeeld) rekening kon houden met (toekomstige) aanspraken van (potentiële) schuldeisers als de fiscus. 2.4.1 Gesteld wordt dat het hof met hetgeen het in rov. 4.7 overweegt en oordeelt, zich schuldig maakt aan een verboden aanvulling van de […]”
r.o. 2.2
“Ook het recht ondersteunt het hiervoor genoemde goede verloop van het maatschappelijke verkeer. Er zijn vele geschreven en ongeschreven regels gericht op het bevorderen en verzekeren van de voldoening van de vergoeding voor geleverde goederen en diensten. Volstaan wordt met vermelding van de volgende regels. In artikel 3:276 BW wordt vooropgesteld dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar kan verhalen. Met de in de artikelen 3:45-48 BW en artikelen 42-47 Fw voorziene Pauliana-regeling wordt het middel van vernietiging aangereikt om binnen het kader van de in die artikelen gestelde nadere voorwaarden rechtshandelingen ongedaan te kunnen maken, die afbreuk doen aan de mogelijkheid voor een schuldeiser om verhaal op het vermogen van de schuldenaar te vinden voor een vordering. Naast en in aanvulling op de Pauliana-regeling biedt het algemene OD-artikel 6:162 BW een grondslag voor het vorderen van een vergoeding voor schade die bestaat uit het onvoldaan blijven van een of meer schulden bij gebrek aan een (voldoende) verhaalsmogelijkheid. Er is in nogal uiteenlopende gevallen wegens het afbreuk doen aan of negeren van de verhaalsmogelijkheid voor schuldeisers tot aansprakelijkheid voor de daaruit voor de schuldeisers voortgevloeide schade geconcludeerd. Dat is gebeurd in gevallen, waarin iemand met gebruikmaking van zijn overheersende positie ten eigen bate geld of goederen om niet of tegen een te lage waarde uit een vermogen haalt, terwijl hij weet […]”
r.o. 2.11.4