Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 maart 2009
Faillissementsaansprakelijkheid bestuurders en commissarissen Antilliaanse NV; maatstaf grove schuld; berusting
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Conclusie in een Antillenzaak over de aansprakelijkheid van bestuurders en een commissaris jegens de boedel van een failliete verzekeringsmaatschappij, naar artikel 116 en 127 WvKNA (vergelijkbaar met artikel 2:138 en 2:248 BW). De A-G concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid wegens berusting. Subsidiair acht hij de maatstaf van het ernstig verwijt een juiste invulling van grove schuld en de klachten over causaal verband en schade ongegrond.
Kernoverwegingen
“Hoe is die norm nu te beoordelen in het geval van de bestuurder bedoeld in art. 116 WvKNA(25)? Het lijkt mij duidelijk dat dit geval meer punten van overeenkomst vertoont met dat van de ooit door de wet beschermde kapitein en de inmiddels door de wet beschermde werknemer, dan met de gevallen waarop de rechtspraak over exoneratieclausules gericht is. Een zekere bescherming van de bestuurder van de rechtspersoon tegen "persoonlijke" aansprakelijkheid kan gerechtvaardigd zijn met het oog op de grote verantwoordelijkheid die op een dergelijke persoon kan rusten, en die voor een "gewone" natuurlijke persoon onevenredig belastend zou kunnen zijn wanneer daaraan onverkort aansprakelijkheid werd verbonden; maar kan ook steunen op de wens om de beleidsvrijheid van bestuurders van rechtspersonen niet, vanwege angst voor aansprakelijkheid, te zeer te beperken. Maar hier kan ook een rol spelen de "systematische" gedachte dat een van de maatschappelijke doelen van het instituut van de rechtspersoon er nu eenmaal in bestaat dat aansprakelijkheid beperkt wordt tot het vermogen van de rechtspersoon zelf, en dat dat doel grotendeels voorbij zou worden geschoten wanneer de bestuurders voor ieder gering tekortschieten aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden. 30. Daartegenover staat natuurlijk dat de wet op goede gronden een ieder in beginsel aansprakelijk stelt voor zijn/haar tekortschieten; en dat de gronden die dat beginsel dragen, aandringen tot terughoudendheid bij het aannemen van […]”
r.o. 29
“Daar tegenover komt intussen gewicht toe aan het feit dat in de rechtsleer, maar ook op andere plaatsen in de wetsgeschiedenis, wel is aangenomen dat er geen relevant verschil bestaat tussen de ernst van de tekortkomingen waar deze wetteksten op doelen, en die uit het "oude" recht; en dat voor beide ook de formule "ernstig verwijtbaar" toepasselijk zou kunnen zijn(30). De laatstbedoelde rechtsbronnen winnen, wat mij betreft, aan gewicht als men de eerder in de rechtspraak ontwikkelde formules voor de omschrijving van "grove schuld" wat nader bekijkt: gedrag dat "ernstig verwijtbaar" is zal (nagenoeg?) altijd van dien aard zijn dat iedere redelijk handelende bestuurder dat zal nalaten; en het hanteren van een zinnige grens tussen ernstige verwijtbaarheid enerzijds en aan opzet grenzende laakbaarheid(31) anderzijds vergt een opmerkelijk - voor velen denk ik: overspannen - gevoel voor nuance. 33. Dat alles gezegd zijnde - heeft het GHJ nu een maatstaf aangelegd die relevant afwijkt van de - naar ik erken: niet met overdadig materiaal ondersteunde - maatstaf die in art. 116 WvKNA tot uitdrukking komt? Zoals al in het voorafgaande zal zijn "doorgeschemerd", denk ik per saldo van niet. Het GHJ heeft getoetst aan de maatstaf of aan de betrokkenen ernstig verwijt van hun handelwijze viel te maken. Het heeft daarbij volgens mij geen wezenlijk andere maatstaf aangelegd dan die, dat geen redelijk handelend persoon in dezelfde omstandigheden op de gewraakte manier zou hebben gehandeld. […]”
r.o. 32
“Dat alles gezegd zijnde - heeft het GHJ nu een maatstaf aangelegd die relevant afwijkt van de - naar ik erken: niet met overdadig materiaal ondersteunde - maatstaf die in art. 116 WvKNA tot uitdrukking komt? Zoals al in het voorafgaande zal zijn "doorgeschemerd", denk ik per saldo van niet. Het GHJ heeft getoetst aan de maatstaf of aan de betrokkenen ernstig verwijt van hun handelwijze viel te maken. Het heeft daarbij volgens mij geen wezenlijk andere maatstaf aangelegd dan die, dat geen redelijk handelend persoon in dezelfde omstandigheden op de gewraakte manier zou hebben gehandeld. Redelijk handelende mensen houden zich immers, zoals ik al opmerkte, verre van datgene wat (dusdanig) ernstig verwijt verdient. Met die maatstaf is, lijkt mij, aan de door art. 116 WvKNA beoogde norm volledig recht gedaan. 34. Volledigheidshalve vermeld ik dat namens mr. Van den Bosch bij schriftelijke toelichting (alinea 3.2.4) is opgemerkt dat de bestreden overweging van het GHJ aansluit bij een overweging uit het vonnis van de eerste aanleg, namelijk rov. 5.3; en dat in de appelinstantie geen expliciet bezwaar was aangevoerd tegen deze overweging van de eerste rechter. Of de onderhavige tegenwerping hout snijdt hangt er - aangenomen dat de feiten waarop die tegenwerping berust zich inderdaad voordoen - van af of men meent dat de appelrechter in de Nederlandse Antillen verplicht is ambtshalve onjuiste rechtsoordelen van de lagere rechter te "corrigeren", ook als partijen dergelijke oordelen […]”
r.o. 33