Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 oktober 2009
Borgtocht en vertegenwoordigingsbevoegdheid beherend vennoot vof; schijn van instemming
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een leverancier vordert betaling van een borg voor leveringen aan een vof, waarvan een van de beherend vennoten bestellingen plaatste boven zijn statutaire bevoegdheidsgrens. De A-G concludeert dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de borg zich niet kan beroepen op de bevoegdheidsbeperking, omdat de leverancier mocht vertrouwen op de door de directeur van de andere vennoot gewekte schijn van instemming. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Eerstgenoemde klacht ziet eraan voorbij dat de overwegingen van het hof in rov. 3.2 in de sleutel staan van de vraag of op grond van de instemming van [betrokkene 1] als directeur van Horeca Vlees Westland met een door Hermes af te geven kredietlimiet op R&S van FIM 400.000 bij Karjaportti (in de persoon van [betrokkene 3]) de schijn kon worden gewekt dat hij daarmee tevens als directeur van de beherend vennoot [A] instemde met toekomstige bestellingen tot maximaal het bedrag van die kredietlimiet, ook als daarmee een groter belang zou zijn gemoeid dan f 25.000. Het oordeel van het hof dat deze schijn inderdaad bij Karjaportti kon worden gewekt, is op zich niet onbegrijpelijk en getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof is verder als verweven met waarderingen van feitelijke aard niet vatbaar voor toetsing in cassatie.(17) Het argument dat het verband tussen de door Horeca Vlees Westland verstrekte garantie en de bevoegdheid tot het sluiten van de koopovereenkomsten te beperkt is, berust op een feitelijk novum dat niet voor het eerst in cassatie kan worden beoordeeld. Het betoog dat de bevoegdheid om een rechtshandeling te verrichten niet zonder meer wordt gelegitimeerd wanneer de koopprijs maar binnen een kredietlimiet blijft, mist feitelijke grondslag; het miskent dat het hof de bevoegdheid van [betrokkene 2] tot het verrichten van de transacties met Karjaportti heeft gegrond op de (schijn van) instemming van de andere beherend vennoot, en […]”
r.o. 2.2.2
“Het middel kan worden toegegeven dat de bewoordingen van 's hofs overweging dat Horeca Vlees Westland "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep (kan) doen op de beperking van [betrokkene 2]' vertegenwoordigingsbevoegdheid" kunnen doen denken aan de bepaling van art. 6:2 en 6:248 lid 2 BW dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn." Ook kunnen redelijkheid en billijkheid een aanvullende bron van rechtsgevolgen vormen (art. 6:2/6:248 lid 1 BW). Niettemin moet het er, naar het mij voorkomt, voor worden gehouden dat het hof niet het oog heeft gehad op de derogerende, laat staan de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid in de zin van genoemde bepalingen, zodat de klachten feitelijke grondslag missen. Daartoe diene het volgende. 2.3.4 Horeca Vlees Westland heeft in eerste aanleg als (subsidiair) verweer aangevoerd dat R&S wegens bevoegdheidsoverschrijding niet is gebonden aan de door [betrokkene 2] geplaatste bestellingen.(21) De rechtbank heeft dit verweer verworpen.(22) In het kader van de tegen dit oordeel gerichte grief III doet Horeca Vlees Westland een beroep op de voor borgtocht geldende zogenoemde verweermiddelenregel van art. 7:852 lid 1 BW, inhoudende dat verweermiddelen die de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser heeft, ook door de borg kunnen worden ingeroepen, indien zij (onder meer) het bestaan van […]”
r.o. 2.3.3
“Horeca Vlees Westland heeft in eerste aanleg als (subsidiair) verweer aangevoerd dat R&S wegens bevoegdheidsoverschrijding niet is gebonden aan de door [betrokkene 2] geplaatste bestellingen.(21) De rechtbank heeft dit verweer verworpen.(22) In het kader van de tegen dit oordeel gerichte grief III doet Horeca Vlees Westland een beroep op de voor borgtocht geldende zogenoemde verweermiddelenregel van art. 7:852 lid 1 BW, inhoudende dat verweermiddelen die de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser heeft, ook door de borg kunnen worden ingeroepen, indien zij (onder meer) het bestaan van de verbintenis van de hoofdschuldenaar betreffen. In dit kader wordt door Horeca Vlees Westland andermaal betoogd dat R&S wegens bevoegdheidsoverschrijding niet gebonden is.(23) Karjaportti heeft hiertegen bij memorie van antwoord het volgende verweer gevoerd: "19. Als er nu een bespreking plaatsvindt met Karjaportti omtrent de leveringen in het kader waarvan Horeca Vlees Westland B.V. zich garant gaat stellen voor de betaling van R&S Import Export, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn daar beiden bij aanwezig, dan mag Karjaportti daaruit toch concluderen dat die beide vennoten de vennootschap onbeperkt kunnen binden en dat in het zicht van deze aanmerkelijke verhoging van de kredietlimiet ook bestellingen zouden gaan plaatsvinden die zouden passen bij die verhoogde kredietlimiet. 20. Daarbij moet bovendien de bijzondere rol van [betrokkene 1] niet uit het oog worden verloren. Hij is […]”
r.o. 2.3.4