Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 december 2009
Cassatie over nietig ontzettingsbesluit van leden door verenigingsvergadering
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vereniging heeft enkele leden uit het lidmaatschap ontzet; rechtbank en hof achtten dat besluit en de vervolgbesluiten nietig of vernietigbaar wegens strijd met de statuten (artikel 2:14 en 2:15 BW). De A-G concludeert dat de cassatieklachten over de feitenvaststelling en het ontbreken van een ontzettingsgrond falen, omdat de Hoge Raad aan de feiten is gebonden en het oordeel overwegend feitelijk is. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Bij vonnis van 17 januari 2007 heeft de rechtbank overwogen (kort gezegd) dat het ontzettingsbesluit op onzorgvuldige wijze, in strijd met artikel 6 lid 2 van de statuten, is tot stand gekomen en daarmee ex art. 2:15 lid 1 sub a BW vernietigbaar is (uit de (90 pagina's tellende) notulen van de (ongebruikelijk lange) algemene ledenvergadering blijkt namelijk niet van een duidelijk en concreet voorstel tot ontzetting van enkele leden, een agenda ontbreekt evenals een (duidelijke) presentielijst en evenmin is duidelijk hoeveel stemgerechtigde leden er in totaal zijn en welk aanwezig lid wel of niet stemgerechtigd is). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de gronden voor ontzetting niet zijn gebleken, zodat het besluit ook om die reden in strijd met artikel 6 lid 2 van de statuten is, hetgeen ex art. 2:14 lid 1 BW de nietigheid van het besluit meebrengt. Als gevolg van de nietigheid van het ontzettingsbesluit heeft de rechtbank alle nadien genomen besluiten eveneens nietig geoordeeld en de reconventionele vorderingen van De Diamant afgewezen. 7. Bij arrest van 31 juli 2008 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De voor de beoordeling van het cassatieberoep relevante overwegingen van het hof zullen hieronder bij de bespreking van het cassatiemiddel aan de orde komen. 8. Bij dagvaarding van 30 oktober 2008 heeft De Diamant cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen (A en B). Behandeling van de middelen 9. In […]”
r.o. 6
“De klacht kan niet tot cassatie leiden. In de eerste plaats is ex art. 419 lid 3 Rv de Hoge Raad bij de beoordeling in cassatie gebonden aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld. Voor zover sprake is van een discrepantie tussen de bestreden uitspraak en de stukken van het geding (hetgeen het geval is in rov. 4.1.1), prevaleren de vaststellingen in de bestreden uitspraak.(3) In de tweede plaats mist de klacht belang, omdat de feiten zoals die volgens het middel zouden moeten zijn, niet tot een ander oordeel van het hof zouden hebben geleid. Ik merk volledigheidshalve op dat dit ook heeft te gelden voor de stelling van het middel dat de ontzetting van de leden tevens op twee andere statutaire gronden heeft plaatsgevonden en niet alleen op de statutaire grond zoals door het hof in rov. 3.2.d overwogen. In rov. 3.2.d stelt het hof alleen maar vast dat de ontzetting op een bepaalde statutaire grond heeft plaatsgevonden. Het hof geeft hiermee geen oordeel over de gegrondheid van de ontzetting. Dit doet het hof pas bij zijn beoordeling van de zaak (in rov. 4.2-4.4). Bij deze beoordeling (meer specifiek in rov. 4.4) gaat het hof ook in op de vraag of [verweerster] heeft gehandeld in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging dan wel één of meer van de andere leden geestelijk letsel heeft bezorgd, welke vraag het hof vervolgens negatief beantwoordt. Ten slotte merk ik op dat het hof de feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld […]”
r.o. 10
“Met de zinsnede "als het hof alle stukken zou hebben gelezen" (bovenaan p. 8 van de cassatiedagvaarding) suggereert het middel dat het hof niet alle stukken heeft gelezen en als gevolg daarvan ten onrechte heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond voor ontzetting was. De klacht mist feitelijke grondslag en kan niet slagen. In rov. 4.4 overweegt het hof dat uit de stukken slechts kan worden opgemaakt dat er onenigheid binnen de vereniging is geweest, dat [verweerster] haar onvrede over de gang van zaken heeft doen blijken en dat zij een voorstander was van splitsing van de vereniging. Vervolgens oordeelt het hof dat dat niet de aanwezigheid van een ontzettingsgrond oplevert. Hiermee heeft het hof bij zijn oordeel wel degelijk, en (wederom ten overvloede:) niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de door het middel genoemde redenen waarom [verweerster] is ontzet. Voor het overige komt dit oordeel van het hof, als overwegend feitelijk van aard, niet voor toetsing in cassatie in aanmerking. 14. Ook ter onderbouwing van de klacht in onderdeel B verwijst het middel (halverwege p. 8 van de cassatiedagvaarding) naar de te zijner tijd in te dienen schriftelijke toelichting. Zoals in alinea 12 hierboven al aangegeven, kan op deze nadere onderbouwing echter geen acht worden geslagen. 15. Het middel klaagt voorts (op p. 12 van de cassatiedagvaarding) dat het hof (in rov. 4.6(5)) ten onrechte overweegt dat de valse beschuldiging geen rol (meer) speelt. 16. Ook deze klacht mist […]”
r.o. 13