Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 december 2009
Faillissement vof met Poolse vennoten: internationale bevoegdheid en faillissement vennoten
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een vof en haar vennoten, die in een andere lidstaat wonen en werken, worden op verzoek van schuldeisers failliet verklaard. In cassatie concludeert de A-G tot verwerping: een ontbonden vof blijft bestaan tot de vereffening is voltooid, en de overdracht van de activiteiten brengt niet mee dat het centrum van haar voornaamste belangen niet meer in Nederland ligt. Het faillissement van de vof heeft volgens vaste rechtspraak noodwendig het faillissement van de vennoten tot gevolg, zonder uitzonderingen.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat het hof - in cassatie terecht niet bestreden - ervan is uitgegaan dat een ontbonden vennootschap onder firma blijft bestaan voor zover dit voor haar vereffening nodig is (vgl. A.L. Mohr, Van personenvennootschappen naar huidig en toekomstig recht, 6e dr. bew. door V.A.E.M. Meijers, 2009, blz. 378) en dat faillietverklaring van een vennootschap onder firma in liquidatie mogelijk is totdat de vereffening is voltooid (vgl. Wessels, Insolventierecht, Deel I, 2e dr. 2009, nrs. 1153 en 1154). Waar het hof - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld dat de vereffening van de vof ten tijde van de faillissementsaanvraag nog niet was voltooid, is, los van de internationale bevoegdheidsvraag, faillietverklaring van de vof mogelijk. 11. Art. 3 lid 1, eerste volzin, InsVo bepaalt dat de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, bevoegd zijn de insolventieprocedure te openen. Volgens de tweede volzin van art. 3 lid 1 wordt bij vennootschappen en rechtspersonen, zolang het tegendeel niet wordt bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Personenvennootschappen hebben geen statutaire zetel. Betekent dit dat ten aanzien van personenvennootschappen het vermoeden van de tweede volzin van art. 3 lid 1 geen toepassing kan vinden? De vraag kan in deze zaak in het midden blijven. 12. Neemt men aan dat het […]”
r.o. 10
“Neemt men aan dat ten aanzien van personenvennootschappen het vermoeden van de tweede volzin van art. 3 lid 1 geen toepassing kan vinden (bijv. op grond van het argument dat "vennootschappen en rechtspersonen" in art. 3 lid 1 InsVo moet worden gelezen als: vennootschappen en andere rechtspersonen; zie bijv. S.C.J.J. Kortmann/P.M. Veder, De Europese Insolventieverordening, WPNR 2000, nr. 6421, blz. 764 e.v., blz. 765), dan geeft het oordeel van het hof dat het centrum van de voornaamste belangen van de vof in Nederland ligt, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De vof en de vennoten hebben ter ondersteuning van hun stelling dat het centrum van de voornaamste belangen van de vof niet (meer) in Nederland gelegen is, aangevoerd dat de activiteiten van de vof zijn overgedragen aan een onderneming in Polen, waarvan het centrum van de voornaamste belangen in Polen gelegen is. Dat het hof deze stelling ontoereikend heeft geoordeeld is onjuist noch onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de activiteiten van de vof zijn overgedragen, brengt niet mee dat de vof, die ten behoeve van de vereffening is blijven bestaan, geen eigen centrum van voornaamste belangen (meer) zou hebben en dat dit centrum niet (meer) in Nederland gelegen zou zijn. 14. Het oordeel van het hof dat het centrum van de voornaamste belangen van de vof in Nederland is gelegen, getuigt derhalve niet van een onjuiste opvatting van het bepaalde in art. 3 lid 1 InsVo en is in het licht van de gedingstukken ook niet […]”
r.o. 13
“Ingevolge het bepaalde in art. 4 lid 1 InsVo worden de gevolgen van de tegen de vof geopende insolventieprocedure beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, de lex concursus. De vraag of het faillissement van de vof tevens het faillissement van de vennoten inhoudt wordt derhalve beheerst door Nederlands recht. 17. Naar Nederlands recht is sinds HR 14 april 1927, NJ 1927, blz. 725 nt. PS, vaste rechtspraak dat het faillissement van een vennootschap onder firma "noodwendig het faillissement van de leden der vennootschap ten gevolge heeft". Zie ook HR 2 september 1988, NJ 1988, 1038. Zie voorts Mohr/Meijers, a.w., blz. 158; Wessels, Insolventierecht, Deel I, 2e dr. 2009, nr. 1143-1145. In het woord "noodwendig" ligt besloten dat het hier niet gaat om een uitgangspunt waarvan naar gelang van de omstandigheden van het geval kan worden afgeweken, maar om een harde regel zonder uitzonderingen. Dat ligt ook voor de hand, aangezien van faillietverklaring van een vennootschap onder firma als zodanig pas sprake zal kunnen zijn indien - summier - is gebleken dat niet alleen de vennootschap onder firma, maar ook ieder der hoofdelijk aansprakelijke vennoten in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Gegeven het feit dat een vennootschap onder firma geen rechtspersoon is, houdt deze faillietverklaring de facto de faillietverklaring van alle vennoten bij één vonnis in. De faillietverklaring wordt ten aanzien […]”
r.o. 17