Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 januari 2010
Bestuurdersaansprakelijkheid: benadeling schuldeiser door overdracht maatschapsaandeel en 'leeghalen' vennootschap
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een schuldeiser stelt de enig bestuurder en enig aandeelhouder van een vennootschap persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad, omdat hij de vennootschap zou hebben leeggehaald. Het hof wees slechts schadevergoeding toe voor de verkoop van een maatschapsaandeel aan de bestuurder en passeerde het algemene verwijt van leeghalen als te vaag. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, omdat dit oordeel niet onbegrijpelijk is.
Kernoverwegingen
“De klachten falen. In eerste aanleg heeft MCH in de dagvaarding(5) het aan zichzelf/[A] doen uitkeren van f. 800.000,- uit het vermogen van [B] B.V. en het in privé als vennoot van [B] Maatschap gaan fungeren in plaats van [A] als bevoordelingshandelingen aangemerkt. Vervolgens stelt MCH in de CvR(6) dat het tegen de achtergrond van de disassociatieovereenkomst jegens MCH onrechtmatig is dat [A] met ingang van het jaar 2000 niet meer als vennoot deel uitmaakt van de [B] Maatschap en WIBO kennelijk ook is leeggehaald(7). MCH gaat daarna in op de rolsubstitutie. Volgens MCH is de meest bevredigende oplossing persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder] uit hoofde van een jegens MCH gepleegde onrechtmatige daad door het prijsgeven van [A]'s positie als vennoot en het zonder middelen doen zijn van [A] terwijl [verweerder] wist dat MCH daarmee geen verhaal van haar vorderingen op [A] uit hoofde van de disassociatieovereenkomst zou hebben. Het is mij niet duidelijk of MCH met het zonder middelen doen zijn doelt op het gevolg van de rolsubstitutie of op het leeghalen van [A]. Wat hiervan zij, de rechtbank heeft in rov. 3.13 geoordeeld dat MCH haar stelling inzake het leeghalen van [A] niet nader heeft onderbouwd. In hoger beroep komt MCH met grief 3(8) op tegen dit oordeel van de rechtbank. In de toelichting op deze grief geeft MCH onder meer aan in de MvG uitgebreid te zijn ingegaan op de handelingen van [verweerder], te weten het leeghalen van [A] en de onverplichtheid van […]”
r.o. 3.2
“Nu de overige onderdelen falen, kan ook dit onderdeel niet tot cassatie leiden. Aangezien het hof het algemene verwijt over het leeghalen van [A] door [verweerder] heeft gepasseerd en vervolgens geoordeeld heeft dat (slechts) de verkoop door [A] aan [verweerder] van het maatschapsaandeel een onrechtmatige daad oplevert, heeft het voor de begroting van de schade terecht slechts van belang geacht in welke mate MCH, de "rolsubstitutie" weggedacht, verhaal op [A] zou hebben kunnen nemen. 4. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 De voornaam van [verweerder] leid ik af uit de MvA p. 9 onder 29. 2 De feiten zijn ontleend aan rov. 1.1-1.6 en 1.8-1.13 van het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 februari 2005. Het gerechtshof te Arnhem gaat blijkens rov. 3, 4.1 en 4.2 van zijn tussenarrest van 4 juli 2006 van deze feiten uit. 3 Prod. 4 bij MvG. 4 MvG nr. 27, met verwijzing naar prod. 4, 33, 39, slot, 49 en de samenvattende grief 3 op p. 32; zie voorts pleitnota 8 december 2005, nr. 13, tweede alinea aanhef. 5 Dagvaarding p. 6 onder 7. 6 CvR in conventie/ CvA in reconventie onder 9. 7 Curs. LT. 8 MvG p. 32. 9 Zie MvG p. 31-35. 10 MvG nr. 26-30. 11 Zie MvG nr. 27. 12 MvG nr. 49. 13 MvA p. 9 nr. 27. 14 Zie pleitaantekeningen 13 september 2007, p. 2, tweede gedeelte en p. 3, eerste gedeelte.”
r.o. 3.6