Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 januari 2010
Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouders jegens minderheidsaandeelhouder bij activatransactie tijdens surseance
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een minderheidsaandeelhouder stelt de bestuurder en de indirecte aandeelhouders van een vennootschap in persoon aansprakelijk omdat tijdens de surseance buiten haar medeweten een voorovereenkomst tot verkoop van de activa is gesloten. De A-G bespreekt de toepassing van de artikelen 2:8 en 2:9 BW, de beperkte vergoeding van afgeleide aandeelhoudersschade en het profiteren van andermans wanprestatie. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“In haar tweede hoedanigheid (die van aandeelhouder van IMD) stelt [eiseres] dat [verweerder 1] als bestuurder van IMD jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door toe te laten dat de activa zijn verkocht, en wel zonder [eiseres] hierover te informeren en voorafgaand aan de AVA de goedkeuring te vragen. Ook zou de koopprijs te laag zijn en zouden [eiseres] noch andere potentieel geïnteresseerden in de gelegenheid zijn gesteld mee te bieden. Bovendien verwijt [eiseres] [verweerder 1] dat hij in strijd met de statuten heeft nagelaten de faillissementsaanvraag ter goedkeuring aan de AVA voor te leggen. In dit verband is NOM/[...] van betekenis(16) waarin de Hoge Raad overwoog: "5.3 Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, 2003, 455). In deze zaak gaat het echter niet om de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt, maar tegenover een individuele aandeelhouder. (...) Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, […]”
r.o. 3.3
“Volgens de Hoge Raad kan het feit dat de vennootschap intussen is gefailleerd geen uitzondering rechtvaardigen op de regel dat een aandeelhouder geen recht heeft op vergoeding van afgeleide schade. De regel is niet van toepassing op schade die een aandeelhouder leidt in een andere hoedanigheid dan als aandeelhouder, zo blijkt uit Tuin Beheer:(18) "(...) Reeds uit de formulering van het hiervoor in 3.3 onder (c) aangehaalde arrest van 2 december 1994 volgt dat de daarin gestelde norm niet (mede) van toepassing is indien door de aandeelhouder vergoeding wordt gevorderd van schade die hij op andere wijze lijdt dan door vermindering van de waarde van zijn aandelen in de vennootschap. Het als gevolg van het faillissement van Tuin Recreatie onvoldaan blijven van de - op zichzelf onbestreden - vordering van Tuin Beheer in rekening-courant (...) is voor Tuin Beheer immers geen afgeleide schade. Zij bestaat namelijk niet in vermindering van de waarde van de aandelen die Tuin Beheer had in Tuin Recreatie, maar in vermindering van de waarde van de vordering die Tuin Beheer had op Tuin Recreatie." Indien één ernstig verwijtbare handeling door een bestuurder leidt tot schade van een aandeelhouder, zowel in hoedanigheid van aandeelhouder als in een andere hoedanigheid, kan de aandeelhouder uitsluitend schade vorderen die hij lijdt in een andere hoedanigheid dan als aandeelhouder. Dit is anders, indien het gaat om een schending van een jegens de aandeelhouder in die hoedanigheid geldende […]”
r.o. 3.4.2
“Van enige daadwerkelijke partijdigheid van [betrokkene 2] en [verweerder 1] (...) blijkt uit het verslag voorts niet. (...) [Verweerder 1] wordt in het verslag gekenschetst als zeer integer en omschreven als een rustige en ervaren manager, die de talloze problemen waarmee hij zich direct na zijn benoeming zag geconfronteerd adequaat heeft aangepakt en die zich onafhankelijk ten opzichte van de RvC (heeft) gepositioneerd."(7) Surseance 1.12. De AVA van IMD heeft op 16 april 2003 besloten surseance van betaling aan te vragen. Bij deze vergadering was [betrokkene 1] - met bericht van verhindering - niet aanwezig. De uitnodiging voor deze vergadering vermeldt als agendapunt "de financiële situatie van de vennootschap en de in dit verband te nemen maatregelen" (cva, prod. 15). 1.13. Op 7 mei 2003 heeft de rechtbank Amsterdam aan IMD voorlopig surseance van betaling verleend met aanstelling van mr. M. Pannevis (hierna: mr. Pannevis) tot bewindvoerder. 1.14. Op 22 juli 2003 heeft [betrokkene 1] aan mr. Pannevis per email geschreven dat hij in principe bereid is mee te werken aan een oplossing betreffende IMD. [Betrokkene 1] schreef voorts: "Overigens ben ik ook bereid in het belang van ALLE aandeelhouders op dezelfde basis (verkoop aandelen voor EURO 1 en wel delen in de opbrengst bij verkoop in verhouding van aandelenbelang) IMD voort te zetten aangezien ik er van overtuigd ben i.v.m. al mijn kontakten IMD veel beter en voor een veel hoger bedrag te kunnen verkopen".(8) 1.15. Op […]”
r.o. 3.5