← Week 25

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 juni 2010

Enquête: overdracht aandelen Luxemburgse aandeelhouder ten titel van beheer, bevoegdheid OK

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêtezaak over een Nederlandse bv beveelt de OK de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van de aandelen die een Luxemburgse vennootschap houdt. De A-G concludeert dat de OK op grond van artikel 2:345 BW bevoegd is en dat de EEX-verordening niet van toepassing is, omdat het een Nederlandse enquête tussen Nederlandse partijen betreft. Artikel 6 EVRM geldt niet voor het onderzoek van de onderzoeker, en artikel 2:356 sub e BW kan ook worden toegepast bij een patstelling binnen een enige aandeelhouder. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Voor zover onderdeel 1, subonderdeel a, betoogt dat de Ondernemingskamer art. 6 EVRM heeft geschonden, faalt dit betoog, omdat wordt miskend dat art. 6 EVRM niet van toepassing is op de werkwijze en het onderzoek van de onderzoeker (EHRM 19 maart 2002).(10) 3.5 Voor zover onderdeel 1, subonderdeel a, aanvoert dat het voor [verzoeker 1] onvoldoende duidelijk is geweest dat de onderzoeker voornemens was om eerst te trachten tot een oplossing te komen alvorens met het onderzoek te starten en voorts dat niet naar de eisen van de wet met redenen is omkleed dat geen aandacht wordt besteed aan de stelling van [verzoeker 1] dat een aantal van zijn uitspraken uit de context zijn gehaald, falen deze klachten. Zij zijn zodanig verweven met een waardering van feitelijke omstandigheden dat zij in cassatie niet kunnen worden getoetst. Uit rov. 3.6 van de bestreden beschikking blijkt dat de Ondernemingskamer heeft geconcludeerd dat uit het onderzoeksverslag genoegzaam is gebleken van wanbeleid van de verschillende e-Traction vennootschappen. In rov. 3.7 is de Ondernemingskamer nader ingegaan op de stelling van [verzoeker 1] dat uit het onderzoek geen verstrekkende conclusies zouden kunnen en mogen worden getrokken, omdat de onderzoeker naar eigen zeggen een beperkt onderzoek heeft uitgevoerd. Uit rov. 3.7 blijkt dat het volgens de Ondernemingskamer vanaf de aanvang van het onderzoek vaststond dat het onderzoek, gegeven de feitelijk bestaande patstelling, slechts enkele specifieke aspecten […]”

r.o. 3.4

“Bij de beoordeling van dit onderdeel moet als uitgangspunt worden genomen dat het Nederlandse enquêterecht slechts van toepassing is op de in art. 2:344 BW genoemde rechtspersonen van het Nederlandse recht.(11) In de voorliggende zaak gaat het om een enquêteprocedure waarvan het subject een Nederlandse vennootschap, e-Traction Europe, en haar Nederlandse dochters, e-Traction Finance en e-Traction Manufacturing, zijn. De enquêteprocedure is ingesteld door in Nederland woonachtige verzoekers ([verweerder] c.s.) en richt zich tegen de genoemde Nederlandse vennootschappen. Nu zowel de verzoekers als de gerekwestreerden hun woonplaats c.q. plaats van vestiging in Nederland hebben, is vanuit internationaal privaatrechtelijk oogpunt geen sprake van een grensoverschrijdend geschil. Het gaat om een Nederlandse enquêtezaak die zich binnen de Nederlandse rechtssfeer afspeelt, zodat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer niet wordt getoetst aan de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, kortweg de EEX-verordening.(12) De EEX-verordening is immers niet van toepassing op zaken waarin geen sprake is van internationaliteit, wanneer (relevante) aanknopingspunten met het buitenland ontbreken.(13) De bevoegdheid van de Ondernemingskamer volgt in dit geval uit art. 2:345 BW jo art. 995 Rv. In de bestreden beschikking ligt […]”

r.o. 3.14

“In de voorliggende zaak heeft de getroffen voorziening van tijdelijke overdracht ten titel van beheer van de aandelen in e-Traction Europe gevolgen voor de in Luxemburg gevestigde houdster van deze aandelen, e-Traction Worldwide. De enquêteprocedure die zich in de Nederlandse rechtssfeer tussen Nederlandse partijen afspeelt, heeft dus grensoverschrijdende gevolgen. Daarmee rijst echter nog geen vraag van internationale bevoegdheid. Hoewel de voorziening van tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer zich materieel richt tegen de Luxemburgse aandeelhoudster, is zij in deze procedure niet te beschouwen als gerekwesteerde maar als belanghebbende.(15) e-Traction Worldwide heeft een verweerschrift ingediend als belanghebbende en is ook als zodanig door de Ondernemingskamer in onderhavige enquêteprocedure ontvangen; die procedure speelt zich af tussen verzoekers en gerekwestreerden in Nederland. De laatste volzin in rov. 3.12 van de bestreden beschikking moet tegen deze achtergrond worden gezien: dat de te treffen voorziening met name ook gevolgen zal hebben voor een in Luxemburg gevestigde vennootschap, e-Traction Worldwide en de daarin gerechtigde personen, doet niet af aan de bevoegdheid van de Ondernemingskamer. Dat oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. 3.17 Uit het voorgaande volgt dat de in onderdeel 3 aan de orde gestelde vraag of de Ondernemingskamer op grond van de EEX-verordening rechtsmacht heeft, niet aan de orde komt. De EEX-verordening is in […]”

r.o. 3.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BM0710
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 juni 2010
Datum publicatie
25 juni 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:356 BW, 2:345 BW, 2:344 BW, 2:346 BW, 2:351 BW, 2:355 BW, 2:359 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 25 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.