← Week 47

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 november 2010

Arbitrage managementovereenkomst en exclusieve rechtsmacht bij vernietiging bestuursbesluit

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bestuurder met een managementovereenkomst met arbitragebeding vecht het ontslag en de opzegging van die overeenkomst aan en stelt dat alleen de overheidsrechter bevoegd is, omdat het om vernietiging van vennootschappelijke besluiten gaat. De A-G meent dat een bestuursbeslissing tot opzegging geen besluit is in de zin van artikel 2:14-16 BW, dat de opzegging ter vrije bepaling van partijen staat en dat connexiteit geen reden is om het arbitragebeding te negeren. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Op 2 november 2006 heeft het bestuur de beslissing genomen om de MCA te beëindigen. Dit betreft dit een beslissing van het bestuur en is geen besluit dat voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking komt. Een dergelijke beslissing kan weliswaar worden getoetst aan art. 2:9, 6:162 BW of in het enquêterecht van betekenis zijn, maar komt niet voor nietigverklaring of vernietiging in aanmerking, omdat de beslissing geen rechtshandeling behelst. 3.24 Het hof heeft in rov. 4.9.1 geoordeeld dat wat ik de beslissing tot opzegging van 2 november 2006 zou noemen een besluit van een orgaan van de vennootschap betreft. Hoewel dit oordeel m.i. onjuist is voor zover het betrekking heeft op de opzegging van de MCA, moet hiervan in cassatie worden uitgegaan, omdat het oordeel van het hof niet met (incidentele) klachten wordt bestreden. In ieder geval kan het 'besluit' tot opzegging niet worden beschouwd als een besluit met direct externe werking, omdat uit de wet blijkt noch volgt dat het besluit een rechtshandeling van de BV behelst die tot een wederpartij is gericht. Ook uit de tekst van het besluit kan dit niet worden afgeleid. Immers, de directeuren besluiten tevens om een volmacht te geven aan een van de bestuurders "to represent the company and the board of directors when terminating the agreement." 3.25 Deze volmacht betreft wél een besluit met direct externe werking: een persoon die voorheen niet zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd was, is dat als gevolg van dit besluit […]”

r.o. 3.23

“Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting dat het 'besluit' tot opzegging van 2 november 2006 direct externe werking heeft (zie hierboven, nr. 3.23 en 3.24). Anders dan het onderdeel wil, valt de externe rechtshandeling (de opzegging van de MCA) los te zien van het 'besluit' tot opzegging. Dit volgt niet alleen uit de tekst van het 'besluit' tot opzegging, maar ook uit het richtlijnstelsel (o.a. neergelegd in art. 2:240 BW) op grond waarvan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk is.(36) De geldigheid van de rechtshandeling is niet afhankelijk van het 'besluit' tot opzegging. Omdat het 'besluit' wordt geabstraheerd van de externe rechtshandeling, kan niet worden gesteld dat de opzegging van de MCA niet ter vrije bepaling van partijen staat. Voor de beantwoording van de vraag of de MCA terecht is opgezegd is daarom irrelevant of deze beëindiging op 3 november 2006 nu wel of niet voortbouwt op het 'besluit' tot opzegging. 4.3 Blijkens haar s.t. beoogt Silver Lining dat de argumenten die werden gehanteerd in Audilux(37) over de relatieve bevoegdheid ook toepassing vinden waar het gaat om de exclusieve bevoegdheid van de rechter. In Audilux was een heimelijk benoemde bestuurder een transactie met een derde aangegaan. De geldigheid van de transactie werd betwist, omdat het benoemingsbesluit nietig, althans vernietigbaar zou zijn. De vraag rees of dit geschil met een beroep op art. 105 Rv kon worden beoordeeld door de […]”

r.o. 4.2

“N.m.m. gaat de parallel met Audilux niet alleen niet op, omdat (zoals het hof, in cassatie niet bestreden, overwoog) het hier niet gaat om een alternatieve (relatieve) bevoegdheid van de rechter van de plaats van vestiging van de rechtspersoon. De parallel is eveneens misplaatst omdat het in Audilux ging om de interne en externe gevolgen van een besluit met direct externe werking, te weten de benoeming van een bestuurder.(38) In de onderhavige zaak heeft het 'besluit' tot beëindiging van de MCA geen externe werking. Het betreft hier dan ook geen geschil waarin over de externe werking van een besluit slechts kan worden beslist nadat eerst een oordeel is gegeven over de interne werking van dat besluit.(39) 4.5 Anders dan het 'besluit' tot opzegging van de MCA heeft het ontslagbesluit van 27 november 2006 wel externe werking. De opzegging van de MCA is volgens het onderdeel te zeer verbonden met het ontslagbesluit van 27 november 2006, omdat het AVA-besluit in beginsel, althans in dit geval tevens de beëindiging van de contractuele relatie tussen de vennootschap en haar bestuurder tot gevolg heeft. 4.6 Het onderdeel ziet hier een parallel met HR 15 april 2005, LJN: AS2713 en AS2030, NJ 2005, 483 en 484. Daarin overwoog de Hoge Raad dat een besluit tot ontslag van een statutair bestuurder in beginsel tevens beëindiging van een arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft. Deze arresten zijn niet rechtstreeks van toepassing op deze zaak: hier verricht Silver Lining, een BV, op grond van […]”

r.o. 4.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BN8533
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 november 2010
Datum publicatie
26 november 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:15 BW, 2:16 BW, 2:240 BW, 2:241 BW, 2:134 BW, 2:244 BW, 2:9 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 47 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.