Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 december 2010
Bestuurdersbeloning zonder AVA-besluit; redelijkheid en billijkheid; artikel 2:9 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Twee oud-bestuurders keerden zichzelf een beloning uit zonder het door de statuten vereiste besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders. Het hof achtte hen op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk en wees hun vordering tot een redelijke beloning af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) vormen uitsluitend geen grondslag voor een beloning en een beroep daarop moet met feiten worden onderbouwd.
Kernoverwegingen
“Beide subonderdelen falen. Daartoe kan het volgende worden opgemerkt. Het oordeel van het hof heeft niet zo'n algemene (absolute) strekking als de subonderdelen veronderstellen. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat uitsluitend de redelijkheid en billijkheid geen grondslag kunnen vormen voor een verplichting tot toekenning van een beloning. Het ligt op de weg van de partij die zich beroept op de aanvullende of op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de voor de beoordeling van dat beroep relevante feiten en omstandigheden te stellen en bij tegenspraak te bewijzen (vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 396, 399 en 415). Dat het hof deze algemene regel niet verder heeft uitgewerkt, is in het licht van het gevoerde partijdebat niet onbegrijpelijk. Zo hebben [eisers] in de toelichting op hun derde grief - die was gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de door [eiser 1] ingestelde reconventionele vordering - met betrekking tot de redelijkheid en billijkheid het volgende gesteld (MvG onder 33): 'De rechtbank heeft geoordeeld dat een verbintenis tot uitkering van enige beloning als hier bedoeld geen grond kan vinden in uitsluitend de redelijkheid en billijkheid. Zoals uit het vorenstaande blijkt is de redelijkheid en de billijkheid niet de grondslag van de vordering, maar de door de vennootschap erkende verplichting die berust op de wet en op de statuten van de vennootschap. Overigens lijkt de rechtbank […]”
r.o. 2.4
“Het subonderdeel faalt. Zoals gezegd, hebben [eisers] in hun derde grief in algemene bewoordingen een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 2:8 BW. [eisers] hebben dit beroep niet nader onderbouwd met feiten en omstandigheden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat alleen de redelijkheid en billijkheid niet een voldoende grondslag vormen voor het aannemen van een verplichting tot toekenning van een beloning. Het oordeel van het hof dat deze (algemene) regel ook geldt in het kader van de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 2:8 BW geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 2.7 Subonderdeel 1d klaagt dat bovenstaande klachten ook de rov. 3.4 en 3.5 vitiëren, nu in het licht daarvan evenmin stand kan houden het oordeel dat [eisers] de hen opgedragen taak niet behoorlijk hebben vervuld en/of dat hun handelen hen ernstig moet worden verweten. 2.8 Deze voortbouwende klacht mist zelfstandige betekenis (zie ook de schriftelijke toelichting van [eisers] onder 16) en behoeft in het licht van het bovenstaande geen verdere bespreking. Het subonderdeel faalt. 2.9 Onderdeel 2 klaagt over onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 3.2 t/m 3.5 (en dan met name in rov. 3.4 en 3.5). Het hof overwoog in rov. 3.4 en 3.5 - na in rov. 3.2 de eerste grief van [eisers] te hebben samengevat en in rov. 3.3 de klacht te hebben verworpen dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen was getreden, nu […]”
r.o. 2.6
“Naar mijn mening faalt het onderdeel. Het hof heeft eerst overwogen dat op grond van art. 13 lid 5 van de statuten van [verweerster] een beloning slechts door de aandeelhoudersvergadering op voorstel van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders kon worden vastgesteld. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat [eisers] willens en wetens van de statutaire bevoegdheidsverdeling zijn afgeweken door zich persoonlijk - zonder een daartoe strekkend besluit van de aandeelhoudersvergadering - gelden te doen uitbetalen (rov. 3.4). Anders dan het onderdeel stelt, heeft het hof zich dus wel rekenschap gegeven van het bepaalde in art. 13 lid 5 van de statuten van [verweerster] (zij het in een andere zin dan door [eisers] voorgestaan). Het hof is daarna (in rov. 3.5) ingegaan op de stellingen die [eisers] hebben aangevoerd ter rechtvaardiging van hun handelwijze. Het hof was daarbij niet gehouden alle door [eisers] aangedragen stellingen in zijn motivering te betrekken. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. 3. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet in vervulling is gegaan, behoeft dit beroep geen behandeling. 4. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zie het arrest van het gerechtshof te […]”
r.o. 2.11