Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 december 2010
Enquête KPNQwest: intrekking enquêteverzoek na bevel tot onderzoek, rol curatoren
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een bevolen enquête bij een failliete beursvennootschap trekken de verzoekers hun verzoek in en vragen zij beëindiging van het onderzoek, omdat zij met de belanghebbenden hebben geschikt. De OK wijst dit af op grond van een belangenafweging, waarbij ook het belang van de curatoren en het maatschappelijk belang meewegen. De A-G concludeert dat artikel 283 Rv ook hier geldt en dat intrekking in beginsel tot beëindiging leidt, zodat de OK te veel discretionaire ruimte heeft genomen. Hij beoordeelt de curatoren wel als belanghebbenden.
Kernoverwegingen
“M.i. houdt art. 283 Rv in dat intrekking van het oorspronkelijke enquêteverzoek ook na het bevel tot het onderzoek beëindiging van het onderzoek meebrengt. Om tot een geordende afwikkeling van het soms zeer gecompliceerde enquetegeding te geraken kan de Ondernemingskamer in een beschikking vaststellen dat het enquêtegeding is beëindigd. Daaraan voorafgaand kan de Ondernemingskamer naar aanleiding van zo'n intrekking belanghebbenden voor een zitting oproepen. Daarbij rijst de vraag welke vrijheid de Ondernemingskamer heeft om na intrekking van het oorspronkelijke verzoek het geding als niet beëindigd te beschouwen. 3.28 Voor het antwoord op die vraag is de opzet van art. 283 Rv relevant. De wetgever heeft in dat artikel een onderscheid gemaakt tussen enerzijds vermindering van het verzoek en anderzijds verandering en vermeerdering. Voor die laatste geldt dat er, ook in de fase dat artikel 283 Rv van toepassing is, de mogelijkheid voor belanghebbenden is opgenomen om bezwaar te maken en het als taak van de rechter geldt om te beoordelen of de wijziging in strijd is met de goede procesorde (artikel 283 jo. 130 Rv). M.i. volgt uit art. 283 Rv. dat intrekking van een verzoek een veel vrijer uit te oefenen recht is voor de verzoeker dan verandering of vermeerdering van een verzoek. Zo kan een belanghebbende geen bezwaar maken tegen een verandering of vermeerdering van een verzoek. Het gevolg daarvan is dat de mogelijkheid van ingrijpen en van sturing door de rechter bij intrekking […]”
r.o. 3.27
“Voor het antwoord op die vraag is de opzet van art. 283 Rv relevant. De wetgever heeft in dat artikel een onderscheid gemaakt tussen enerzijds vermindering van het verzoek en anderzijds verandering en vermeerdering. Voor die laatste geldt dat er, ook in de fase dat artikel 283 Rv van toepassing is, de mogelijkheid voor belanghebbenden is opgenomen om bezwaar te maken en het als taak van de rechter geldt om te beoordelen of de wijziging in strijd is met de goede procesorde (artikel 283 jo. 130 Rv). M.i. volgt uit art. 283 Rv. dat intrekking van een verzoek een veel vrijer uit te oefenen recht is voor de verzoeker dan verandering of vermeerdering van een verzoek. Zo kan een belanghebbende geen bezwaar maken tegen een verandering of vermeerdering van een verzoek. Het gevolg daarvan is dat de mogelijkheid van ingrijpen en van sturing door de rechter bij intrekking van een verzoek veel geringer is dan bij verandering of vermeerdering van een verzoek. In de literatuur wordt zelfs verdedigd dat het door de rechter ambtshalve buiten beschouwing laten van een vermindering van een verzoek niet aan de orde is(34). In die opvatting heeft de rechter zelfs geen enkele vrijheid om intrekking af te wijzen. M.i. dient de uitoefening van het intrekkingsrecht aanzienlijk minder streng worden getoetst aan eisen van de redelijkheid en billijkheid en de goede procesorde dan een verandering of vermeerdering van een verzoek. De reden voor dit verschil in toetsing door de rechter is dat de wetgever […]”
r.o. 3.28
“Alles afwegende meen ik dat artikel 283 Rv, zoals ik dit hierboven heb uitgelegd, op de enquêteprocedure voor zover het om intrekking gaat moet worden toegepast. De argumenten tegen toepassing van die bepaling wegen m.i. niet zwaar genoeg, zeker nu Boek 2 BW de kwestie openlaat. De Ondernemingskamer heeft art. 283 Rv niet goed uitgelegd, omdat zij op basis van een haar niet toekomende bevoegdheid de verschillende tegen elkaar staande belangen te vrij en te discretionair tegen elkaar heeft afgewogen. Art. 283 Rv biedt niet de ruimte voor een zeer vrije belangenafweging en impliceert dat de intrekking van het enquêteverzoek door de Ondernemingskamer in beginsel behoudens weinig voorkomende uitzonderingen van zeer bijzondere aard beëindiging van het geding meebrengt. 3.40 Het tweede middelonderdeel(44) klaagt dat de Ondernemingskamer in rov. 3.3, eerste alinea van de litigieuze beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar beschikking niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. De Ondernemingskamer heeft, aldus het middelonderdeel, miskend "dat Curatoren ingevolge artikel 282 lid 1 Rv in dit stadium van het geding [de behandeling van het intrekkingsverzoek - LT] niet meer als belanghebbende in de onderhavige procedure konden worden toegelaten en/of dat de Ondernemingskamer de namens Curatoren aangevoerde belangen waarom de intrekking van het enquêteverzoek c.q. het verzoek tot beëindiging van de onderhavige procedure niet zou moeten […]”
r.o. 3.39