Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 24 juni 2011
Verzet schuldeiser tegen verdelingsplan vereffening; niet-ontvankelijk wegens verjaring
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een gestelde schuldeiser van een vennootschap in liquidatie maakte verzet tegen het plan van verdeling op grond van artikel 2:23b lid 5 BW. Hij werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat zijn gestelde vordering uit onrechtmatige daad was verjaard en hij dus geen schuldeiser was. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen en dat het beroep met artikel 81 RO kan worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De klacht van onderdeel 5.3 is gericht tegen een onherroepelijke rechterlijke uitspraak die tussen partijen gezag van gewijsde heeft. Klachten tegen dat oordeel kunnen in deze procedure niet meer worden aangevoerd. Mij is de strekking van de klachten van onderdelen 5.4 en 5.5 niet duidelijk geworden. Voor zover zij voortbouwen op de klacht van onderdeel 5.3 delen zij het lot daarvan. Voor zover zij verdedigen dat de situatie van art. 3:316 lid 2 BW zich hier niet voordoet falen zij wegens gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.6 heeft geoordeeld dat [verzoeker] binnen vijf jaar vanaf het moment dat hij stelt dat de verjaringstermijn is gaan lopen geen stuitingshandeling heeft verricht. Tegen dat oordeel richten de klachten zich niet. Voor zover zij als uitgangspunt nemen dat van verjaring geen sprake is falen zij. De overige onderdelen bevatten geen zelfstandige klachten. 5. De klachten van onderdelen 5.8-5-10 en 6-8 hebben betrekking op het indienen van het verzoekschrift tegen de beschikking van de rechtbank door [verzoeker] als zaakwaarnemer. Het hof heeft zich daarover niet uitgelaten en [verzoeker] ook niet als zaakwaarnemer erkend, zo luiden de klachten. 6. De klachten kunnen wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij [verzoeker] niet-ontvankelijk is verklaard. De bekrachtiging van het oordeel van de rechtbank kan […]”
r.o. 4
“De klachten kunnen wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij [verzoeker] niet-ontvankelijk is verklaard. De bekrachtiging van het oordeel van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan dat het hof [verzoeker] ook niet-ontvankelijk verklaart voor zover hij het verzoekschrift tegen de beschikking als zaakwaarnemer heeft ingediend. Conclusie Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij deHoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het verzoekschrift is op 23 november 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. In onderdeel 9 van het verzoekschrift is in verband met het nog niet beschikken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep een voorbehoud gemaakt voor het indienen van een aanvullend cassatieverzoekschrift. Binnen de daarvoor geldende termijn is geen aanvullend verzoekschrift ontvangen. 2 Voor een ander deel van de vordering uit onrechtmatige daad is in eerste aanleg geoordeeld dat die bij onherroepelijk geworden arrest van het hof Arnhem is afgewezen, zie rov. 3.2 van de bestreden beschikking.”
r.o. 6