← Week 23

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 juni 2011

Ontslag stichtingsbestuurder: belanghebbendheid en wanbeheer, artikel 2:298/299 BW (conclusie A-G: verwerping)

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Kinderen uit een eerste huwelijk vragen de rechter de stiefmoeder als bestuurder van een stichting administratiekantoor niet rechtsgeldig benoemd te verklaren of te ontslaan op grond van de artikelen 2:298 en 2:299 BW. Het hof wees het verzoek af: alleen de certificaathouder was belanghebbende, de benoeming was rechtsgeldig en van wanbeheer was geen sprake. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Deze klacht dient m.i. te falen. Het Hof heeft - anders dan het onder (a) genoemde bezwaar stelt - m.i. zijn oordeel niet gebaseerd op de geciteerde passage uit het testament. Zowel de Rechtbank als het Hof hebben het citaat uit het testament slechts opgenomen in de opsomming van de feiten (respectievelijk in rov. 2.3 van de beschikking van de Rechtbank en rov. 2.4 van het Hof). Uit de formuleringen van de rechtsoverwegingen 5 (van de Rechtbank) en 2.13 (van het Hof) waar de beoordeling op dit punt te vinden is, blijkt niet dat de passage uit het testament ten grondslag is gelegd aan het oordeel dat [verweerster] niet verplicht was tot zekerheidstelling. In de betreffende rechtsoverwegingen wordt slechts geconstateerd dat die plicht niet bestaat zonder verwijzing. Daar komt bij dat bij toepassing van het wettelijk stelsel ook geen plicht bestaat tot zekerheidstelling. De wettelijke verdeling is gebaseerd op art. 4:13 BW. Het al dan niet bestaan van mogelijke verplichting tot zekerheidstelling is niet expliciet vermeld. Algemeen is aanvaard dat die plicht niet te verenigen is met de strekking van de regeling, namelijk het zo veel mogelijk ongestoord voortleven van de langstlevende. Zo heeft Van Mourik opgemerkt(6): "In het kader van de wettelijke verdeling dient evenwel bedacht te worden dat de strekking van de wettelijke regeling met zich brengt dat voor de vorderingen geen zekerheid kan worden verlangd. Het ongestoord voortleven van de echtgenoot impliceert de bevoegdheid […]”

r.o. 4.3

“Klacht II.1 bestaat uit twee delen. Ten eerste klagen [verzoeker] c.s. dat het Hof het primaire verzoek (een verklaring dat geen sprake is van rechtsgeldige benoeming van [verweerster]) en de secundaire (ontslag i.v.m. wanbeheer als wel sprake zou zijn van een rechtsgeldige benoeming) 'in elkaar schuift'. Deze klacht is m.i. gebaseerd op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. [Verzoeker] c.s. suggereren (par. II en II.1) dat het oordeel van het Hof 'dat [verweerster] rechtsgeldig is benoemd' slechts onderdeel is van de opsomming van omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van uitgesproken onrechtmatigheid en 'aldus' ook geen grond voor ontslag als bedoeld in art. 2:298 BW. M.i. is dat niet wat het Hof in rov. 2.16 heeft overwogen. Het oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige benoeming is een op zichzelf staande conclusie uit de daarvoor genoemde feiten en omstandigheden en hoort daar niet bij. Vervolgens heeft het Hof op grond van dezelfde relevante feiten en omstandigheden geconcludeerd dat ook geen sprake is van een uitgesproken onrechtmatigheid die ontslag o.g.v. art. 2:298 BW rechtvaardigt. 4.8 Ten tweede klagen [verzoeker] c.s. in klacht II.1 dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de stellingen (uit punten 16 tot en met 19 van het inleidende verzoekschrift) dat niet is voldaan aan artikel 5 lid 2 van de statuten dat voorschrijft dat de benoeming van bestuurders binnen twee weken bij notariële akte moet worden geconstateerd, […]”

r.o. 4.7

“Daargelaten of de stelling van [verzoeker] c.s. klopt dat een niet "perfecte" benoeming "dus" niet rechtsgeldig is, mist dit deel van klacht II.1 m.i. feitelijke grondslag omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking. M.i. is in het oordeel van het Hof dat sprake is van een rechtsgeldige benoeming - in onderlinge samenhang met de overige oordelen van het Hof in rov. 2.16 - verdisconteerd dat die rechtsgeldigheid niet wordt aangetast door het ontbreken van een notariële akte van constatering binnen twee weken. De uitleg van statuten is een feitelijke kwestie en dus in beginsel aan de feitenrechter voorbehouden. Uit rov. 2.16 volgt m.i. dat het Hof heeft geoordeeld dat de constatering door de notaris geen constitutief element is voor de benoeming. Dat vind ik, zeker gezien de woordkeuze in art. 5 lid 2 van de statuten dat de benoeming moet worden 'geconstateerd' niet onbegrijpelijk. 4.10 De klachten II.2 en II.3 komen er beide op neer dat het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 2.16 zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het Hof bij de vraag of de benoeming van een bestuurslid rechtsgeldig is als maatstaf heeft genomen of sprake is van 'uitgesproken onrechtmatigheid'. Ook deze klachten dienen m.i. te falen omdat zij zich richten tegen een onjuiste lezing van de beschikking. Zoals hiervoor al uiteengezet (zie 4.7), moet het oordeel van het Hof dat de benoeming rechtsgeldig is, los worden gezien van het daaropvolgende oordeel dat geen […]”

r.o. 4.9

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2011:BQ2299
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
10 juni 2011
Datum publicatie
10 juni 2011
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:299 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
["bestuurder"]
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 23 van 2011

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.