Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 september 2011
Bestuurdersaansprakelijkheid: betalingsonwil of betalingsonmacht bij onbetaalde facturen en kredietopzegging
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een leverancier stelt de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete vennootschap in persoon aansprakelijk voor onbetaalde facturen, wegens betalingsonwil of het aangaan van niet-nakombare verplichtingen (artikel 6:162 BW). Het hof wees de vordering af, omdat de vennootschap na de kredietopzegging door de bank geen betalingen meer kon doen. De A-G acht dit oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat de bankrekening volgens de stukken tot 16 juli 1998 niet was geblokkeerd, en concludeert tot vernietiging en verwijzing. De overige klachten kunnen met artikel 81 RO worden afgedaan.
Kernoverwegingen
“'s Hofs overweging dat [A] vanaf 9 (of 10) juli 1998 geen betalingen meer van haar rekening kon verrichten (zie de rov. 2.2, 2.4 en 2.5) is naar mijn mening onbegrijpelijk in het licht van de brief van 16 juli 1998 en de verklaring van [betrokkene 2], waaraan het hof refereert. In deze verklaring schrijft [betrokkene 2] immers ondubbelzinnig dat de opzegging schriftelijk is bevestigd op 16 juli 1998 en dat tot die tijd de rekening niet was geblokkeerd. De bewuste brief van 16 juli 1998 wijst niet in een andere richting. In deze brief wordt formeel de beëindiging van de aan [A] verstrekte financiering met onmiddellijke ingang bevestigd en wordt [A] gesommeerd, eveneens met onmiddellijke ingang, de resterende vorderingen aan de bank te voldoen. Daarbij schrijft de bank ook dat het [A] niet meer is toegestaan de eerder verstrekte kredietfaciliteiten nog langer te gebruiken, hetgeen naar mijn mening impliceert dat de rekening nog toegankelijk was. Dit vindt bevestiging in het slot van de verklaring van [betrokkene 2] dat [verweerder] kort na de opzegging op 20 juli nog salarissen heeft voldaan en op de rekening bedragen heeft gestort alsook in de (in cassatie niet bestreden) overweging van het hof dat de schuld aan de bank op 16 juli 1998 ƒ 42.000,- bedroeg en op 20 juli 1998 was omgezet in een positief saldo van ƒ 17.753,- (rov. 2.2). Op grond hiervan is 's hofs bestreden overweging niet toereikend gemotiveerd, nu niet kan worden uitgesloten dat [verweerder] gelet op het […]”
r.o. 2.5
“De stelling van [verweerder] dat de brief van 16 juli 1998 aperte onjuistheden bevat en daarom aan die brief weinig waarde kan worden gehecht(8), kan in cassatie geen gewicht in de schaal leggen. De door [verweerder] gestelde onjuistheden betreffen immers niet dit in cassatie bestreden punt. Integendeel, [verweerder] heeft min of meer bevestigd dat het krediet op 16 juli 1998 door de bank is opgezegd.(9) Ook de alternatieve interpretaties die [verweerder] in de schriftelijke toelichting naar voren brengt, zijn niet sterk. Dat de woorden 'met onmiddellijke ingang' in de brief van 16 juli 1998 doelen op de reeds op 9 (of 10) juli 1998 mondeling meegedeelde beëindiging die op dat moment met onmiddellijke ingang inging, is niet te rijmen met het in die brief ten aanzien van de sommatie van [A] tweede voorkomende 'met onmiddellijke ingang'. In de lezing van [verweerder] zouden de zelfde, kort na elkaar gebruikte woorden 'met onmiddellijke ingang' op verschillende tijdstippen betrekking hebben. Dat ook het gebezigde 'tot die tijd' in de verklaring van [betrokkene 2] betrekking kan hebben op de mondelinge opzegging is gezocht. Dat [A] er slecht voor stond en de opzegging van de kredietfaciliteit slechts een kwestie van tijd was, verklaart (ook) de schriftelijke bevestiging na de eerder mondeling meegedeelde opzegging. Onderdeel 1 treft derhalve doel. 2.7 De onderdelen 2 en 3 bevatten op het eerste onderdeel voortbouwende klachten tegen rov. 2.3, 2.4 en 2.5 respectievelijk rov. 2.6 […]”
r.o. 2.6
“De overweging van het hof dat de marktprijzen voor uien in juni 1998 dramatisch zijn gedaald, is niet uit de lucht gegrepen, wat er ook zij van de kwalificatie 'dramatisch'. Dat is een waardering van de gedingstukken die aan het hof als feitenrechter is voorbehouden. Naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof zijn de door [verweerder] als productie overgelegde artikelen uit het blad Boerderij met betrekking tot de uienprijsontwikkelingen en zijn stellingen dienaangaande voldoende overtuigend, terwijl de stukken van [eiseres] ook blijk geven van een zekere prijsdaling.(14) Op deze grond kon het hof ook voorbijgaan aan het aanbod om een deskundige op het gebied van uien als getuige te horen. De stelling dat de door [eiseres] geleverde uien direct voor een goede prijs zijn doorverkocht, is verder niet relevant in het kader van de subsidiair ingestelde vordering. Dat [A] de door [eiseres] geleverde uien van de hand heeft gedaan voordat de (dramatische) prijsdaling inzette, kan immers niet bijdragen aan de stelling dat [verweerder] als bestuurder van [A] bij het sluiten van de overeenkomsten c.q. ten tijde van de leveringen aan [A] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [A] niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen kon voldoen. Integendeel, de prima prijzen waarvoor [A] de van [eiseres] geleverde uien aan derden heeft kunnen doorverkopen stonden op de (voor de beoordeling van de subsidiaire vordering) relevante tijdstippen […]”
r.o. 2.15