← Week 47

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 november 2011

Beklamel-aansprakelijkheid bestuurder plankvennootschap bij verkoop certificaten; A-G concludeert tot verwerping

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Verkopers van certificaten van aandelen vorderen van de bestuurder van de kopende plankvennootschap persoonlijk schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (Beklamel-norm en gewekt vertrouwen), nadat de bankgarantie niet werd verstrekt. Het hof wees de vordering af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, omdat de verkopers wisten dat de koper vermogenloos was, bewust een risico namen en de bestuurder geen verwachting had gewekt dat de koper zou nakomen.

Kernoverwegingen

“De klacht in subonderdeel 1.1.1 faalt. Het hof acht m.i. vooral van belang dat Levas c.s. akkoord zijn gegaan met een constructie waarin de hoofdsom omgezet werd in een geldlening en de koopsom pas één jaar na het afsluiten van de geldlening behoefde te worden terugbetaald. Daarmee hebben Levas c.s. - zo vat ik het oordeel van het hof samen - begrepen dat Participant bij het afsluiten van de koopovereenkomst niet over het geld beschikte waarmee de koopsom betaald kon worden en een zeer beperkt eigen vermogen had. 3.3.4 Ook subonderdeel 1.1.2 kan niet slagen. Het hof heeft m.i. geen wetenschap van [betrokkene 1] van de zeer zwakke vermogenspositie van Participant aan [betrokkene 2] en Aklo toegerekend. Het heeft wel wetenschap van Levas c.s daaromtrent afgeleid uit de omstandigheid dat zij zelf akkoord gingen met een constructie waarin het door Participant betalen van de koopprijs met een jaar werd opgeschort. Dat is een m.i. begrijpelijke gedachtegang. Die constructie wijst er immers op dat Participant niet over het geld beschikte om de koopprijs te kunnen betalen. Hierbij komt dat in de aan de bodemprocedure voorafgaande kortgeding procedure Levas c.s. in hoger beroep hebben gesteld dat zij van een en ander op de hoogte waren.(4) [verweerder] heeft een en ander ook gesteld.(5) 3.3.5 Subonderdeel 1.2 klaagt dat onvoldoende gemotiveerd is 's hofs oordeel dat de beoogde overdracht van certificaten aan Participant een tijdelijke was en dat het geenszins de bedoeling van […]”

r.o. 3.3.3

“Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Ik lees rov. 4.15-4.21 van het bestreden arrest als één geheel waarin de aansprakelijkheid van [verweerder] uit onrechtmatige daad jegens Levas c.s. wordt beoordeeld voor de door Levas c.s. gemaakte juridische kosten (zie rov. 4.17 waarin het hof overweegt dat het de grieven gezamenlijk bespreekt en rov. 4.19.2 waarin wordt doorverwezen naar 4.20.3 en 4.20.4). Daarbij begrijp ik uit het gebruik door het hof van het woordje "mede" in rov. 4.20.1 dat in de daarop volgende rechtsoverwegingen niet alleen de kwestie van het mogelijk door [verweerder] gewekte vertrouwen besproken wordt, maar het hof ook beziet of [verweerder] in bepaalde opzichten de Beklamel-norm heeft overtreden. Hiervan uitgaande mist het onderdeel feitelijke grondslag. In de rov. 4.20.3 en 4.20.4 weerlegt het hof uitvoerig en m.i. op een begrijpelijke wijze het verwijt van Levas c.s. dat [verweerder] bij het sluiten van de koopovereenkomst wist dat er geen bankgarantie zou komen. Onderdelen 3 en 4 3.4.1 Het hof heeft in rov. 4.20.1-4.20.4 verworpen de stelling van Levas c.s. dat [verweerder] aansprakelijk moet worden gehouden omdat hij het vertrouwen heeft gewekt dat Participant de overeenkomst zou nakomen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen: * De stelling dat een bank nimmer een garantie zal afgeven op basis van de waarde van certificaten kan niet aan [verweerder] worden tegengeworpen, omdat ook Levas c.s. geacht moeten worden deze wetenschap ten tijde van […]”

r.o. 3.3.9

“Deze onderdelen kunnen niet slagen. Het hof heeft niet de vraag beantwoord of [verweerder] al dan niet wist of behoorde te weten dat de bank geen bankgarantie zou verstrekken. Het hof heeft onderzocht in hoeverre bij de partijen bij de overeenkomst ten tijde van het aangaan daarvan de verwachting bestond dat een bankgarantie op basis van enkel de waarde van de certificaten zou worden verstrekt en welke aanvullend te verstrekken zekerheden [verweerder] aan Levas c.s. heeft toegezegd, voor het geval bedoelde bankgarantie niet zou worden verstrekt (rov. 4.20.3 en 4.20.4). Dat het hof een en ander heeft onderzocht is niet onbegrijpelijk. Immers, als Levas c.s. de verwachting hadden dat een bankgarantie c.q. aanvullende zekerheden zouden worden verstrekt kan dat, afhankelijk van de manier waarop die verwachting tot stand is gekomen (al of niet door toedoen/nalaten van [verweerder]), een aanwijzing vormen van door [verweerder] bij Levas c.s. gecreëerde verwachtingen. 3.4.4 Onderdeel 4 stelt specifiek aan de orde of [verweerder] wist dat de bank geen bankgarantie zou afgeven op basis van alleen de waarde van de certificaten. 3.4.5 Subonderdeel 4.1 komt op tegen de vaststelling van het hof dat Levas c.s. ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wisten dat de bank geen bankgarantie zou afgeven op basis van enkel de waarde van de certificaten. Geklaagd wordt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, omdat, zou dit juist zijn, onaannemelijk is dat de partijen een overeenkomst […]”

r.o. 3.4.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2011:BT8532
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 november 2011
Datum publicatie
25 november 2011
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 47 van 2011

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.