← Week 2

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 januari 2012

Uitstoting minderheidsaandeelhouder wegens structureel gebruik vetorecht (artikel 2:336 BW)

  • Geschillenregeling
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een minderheidsaandeelhouder van een besloten vennootschap is door de OK veroordeeld zijn aandelen over te dragen, omdat hij door structureel tegen te stemmen een impasse veroorzaakte. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO. Volgens de A-G hoeft voor uitstoting op grond van artikel 2:336 BW het voortbestaan van de onderneming niet in gevaar te zijn en is een algemeen belang als bij onteigening niet vereist.

Kernoverwegingen

“Het tweede middel kan m.i. in geen van haar onderdelen tot cassatie leiden. Vooropgesteld moet worden dat het bestreden oordeel in belangrijke mate feitelijk van aard is, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. 4.11 Het middel is gebaseerd op een rechtens onjuist uitgangspunt en een onjuiste lezing van het arrest. Het middel neemt namelijk als uitgangspunt dat voor uitstoting sprake moet zijn van een gevaar voor 'ondergang van onderneming', dat de uit te stoten aandeelhouder 'alles doet en niets nalaat om de onderneming te gronde te richten' en dat de Ondernemingskamer die maatstaf terecht als uitgangspunt heeft genomen. Op basis daarvan, zo stelt het middel, is de door de Ondernemingskamer gegeven motivering onbegrijpelijk. De maatstaf van art. 2:336 lid 1 BW is echter dat er sprake van moet zijn dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van Elf zondanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Hierin zijn drie elementen te ontdekken, (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschappelijk belang en (iii) een redelijkheidstoets. Over de invulling van de toetsingsnorm bestaat wel enige onduidelijkheid(3), maar m.i. is in ieder geval onjuist dat uitstoting niet gerechtvaardigd kan zijn als de betreffende aandeelhouder niet 'alles' doet om 'de onderneming te gronde te richten'. Dat heeft de Ondernemingskamer dan ook - terecht - niet als […]”

r.o. 4.10

“Het middel is gebaseerd op een rechtens onjuist uitgangspunt en een onjuiste lezing van het arrest. Het middel neemt namelijk als uitgangspunt dat voor uitstoting sprake moet zijn van een gevaar voor 'ondergang van onderneming', dat de uit te stoten aandeelhouder 'alles doet en niets nalaat om de onderneming te gronde te richten' en dat de Ondernemingskamer die maatstaf terecht als uitgangspunt heeft genomen. Op basis daarvan, zo stelt het middel, is de door de Ondernemingskamer gegeven motivering onbegrijpelijk. De maatstaf van art. 2:336 lid 1 BW is echter dat er sprake van moet zijn dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van Elf zondanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Hierin zijn drie elementen te ontdekken, (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschappelijk belang en (iii) een redelijkheidstoets. Over de invulling van de toetsingsnorm bestaat wel enige onduidelijkheid(3), maar m.i. is in ieder geval onjuist dat uitstoting niet gerechtvaardigd kan zijn als de betreffende aandeelhouder niet 'alles' doet om 'de onderneming te gronde te richten'. Dat heeft de Ondernemingskamer dan ook - terecht - niet als uitgangspunt genomen. Ik meen voorts dat niet vereist is dat het voortbestaan van de onderneming direct in gevaar is. Ook als een onderneming bijvoorbeeld vleugellam wordt gemaakt, daardoor flinke schade oploopt - bijvoorbeeld door een […]”

r.o. 4.11

“Ten tweede neemt het middel (met name de onderdelen 2.b - 2.d) ten onrechte als uitgangspunt dat m.b.t. de individuele besluiten afzonderlijk de conclusie zou moeten worden getrokken dat het belang van de vennootschap in voldoende ernstige mate wordt geschaad. Het kan echter ook voldoende zijn dat de verschillende gedragingen - in casu het blokkeren van de verschillende besluiten - in hun onderlinge samenhang tot de slotsom leiden dat aan de maatstaf is voldaan. Dat kan een op basis van directe gevolgen van de gedragingen zijn, in casu bijvoorbeeld doordat het blokkeren van de besluiten zonder ingrijpen tot voldoende ernstige schade zou leiden, maar een meer indirecte gevolgtrekking is m.i. ook denkbaar, bijvoorbeeld doordat het blokkeren van (zelfs) deze besluiten - die met het al dan niet verbreken van de contractuele banden tussen Elf en B.E.K. Holding niets te maken hebben - een gedragslijn laten zien die voor Elf (voldoende) schadelijk is. 4.13 Verder merk ik op dat de middelonderdelen weliswaar stellen dat de Ondernemingskamer niet expliciet bepaalde gevolgtrekkingen heeft onderbouwd, maar nalaten aan te geven op grond waarvan het oordeel in rov. 4.2 onbegrijpelijk zou zijn. Het oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat het blokkeren van een financiering ter hoogte van € 180.000,-(6) - die blijkens de gedingstukken acuut nodig was doordat B.E.K. Holding zelf een financiering van die hoogte had beëindigd - grote impact heeft, behoeft m.i. bijvoorbeeld weinig […]”

r.o. 4.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BU4969
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 januari 2012
Datum publicatie
13 januari 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:336 BW, 2:339 BW, 2:355 BW
Thema
Geschillenregeling, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 2 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.