← Week 12

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 maart 2012

Einde tweede fase enquête en certificering van aandelen door tijdelijk beheerder

  • Enquêterecht
  • Geschillenregeling
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De conclusie gaat over het einde van de tweede fase van een enquêteprocedure en de vraag of een door de OK aangestelde beheerder aandelen mag certificeren. De A-G meent dat na afloop van het geding geen onmiddellijke voorzieningen meer kunnen worden getroffen en dat niet-gebruikte rechtsmiddelen niet via een nieuwe procedure kunnen worden hersteld. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Ten overvloede acht hij certificering voor onbepaalde tijd in strijd met het eigendomsrecht.

Kernoverwegingen

“Dat betekent dat het verzoek van e-Traction Worldwide S.C.A. in zijn primaire variant reeds daarom niet voor toewijzing vatbaar is. 3.5. Ter voorkoming van - verdere - onduidelijkheid daaromtrent zal de Ondernemingskamer, zoals door e-Traction Europe c.s. verzocht, in het dictum van deze beschikking verstaan dat de procedure met rekestnummer 200.004.256 OK met ingang van 19 december 2009 is geëindigd. 3.6. Wat betreft het verzoek van e-Traction Worldwide S.C.A. in de subsidiaire variant, gericht op het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van e-Traction Europe B.V. en het treffen van onmiddellijke voorzieningen in samenhang daarmee, stelt de Ondernemingskamer het volgende voorop. 3.7. Voor zover het verzoek en de gronden waarop dat berust miskennen dat de Ondernemingskamer in haar beschikking van 8 september 2008 mr. Cornelissen heeft benoemd tot beheerder van de aandelen in het geplaatste kapitaal van e-Traction Europe B.V. en hem uitdrukkelijk en met zoveel woorden in die hoedanigheid bevoegd heeft verklaard ter zake van die aandelen alle daaraan verbonden rechten uit te oefenen, de overdracht ter certificering daaronder begrepen, is het niet voor toewijzing vatbaar. De genomen besluiten vallen op zichzelf immers binnen de grenzen van de aldus geformuleerde bevoegdheid. Dat betekent dat de overdracht door mr. Cornelissen bij wijze van certificering van de aandelen in het geplaatste kapitaal van e-Traction Europe B.V. aan Stichting […]”

r.o. 3.4

“Gelet op al het voorgaande kan - alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - ook niet worden gezegd dat mr. Cornelissen door (de medewerking aan) de certificering en financiering meer heeft gedaan dan paste bij de hem als tijdelijk beheerder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk was voor een behoorlijk beheer van de aandelen in e-Traction Europe B.V. 3.16. Dat, zoals e-Traction Worldwide S.C.A. heeft betoogd, de transactie met De Hoge Dennen Capital B.V. in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel of de statutaire blokkeringsregeling zou miskennen, valt niet in te zien, te minder indien in aanmerking wordt genomen hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de haar geboden gelegenheid voor financiering zorg te dragen. Ook van enige andere (formele) tekortkoming ter zake van de besluitvorming omtrent de bedoelde converteerbare geldlening en optieverlening is de Ondernemingskamer niet gebleken. Evenmin valt in te zien dat en waarom die transactie voor e-Traction Europe B.V. aanleiding zou zijn voor een verhoogd faillissementsrisico. 3.17. Het beroep van e-Traction Worldwide S.C.A. op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden faalt eveneens. Niet alleen is met de bestreden besluiten geen sprake van (de facto) ontneming van eigendom als in dat artikel bedoeld, terwijl de enkele waardedaling ervan geen ontneming oplevert, doch zelfs indien dat […]”

r.o. 3.15

“De subonderdelen A.1 en A.2 dienen m.i. te falen o.g.v. wat ik in par. 3.12 - 3.15 over het einde van de enquêteprocedure heb opgemerkt. De opvatting(29) van de Ondernemingskamer dat, na het wijzen van de 2:355/356-beschikking, de procedure nog doorloopt als sprake is van tijdelijke voorzieningen, maar dat bij het aflopen daarvan ook het geding eindigt, is in beginsel juist. Dat is echter niet onvermijdelijk het geval, aangezien het instellen van cassatieberoep m.i. tot gevolg heeft dat de procedure niet eindigt. In zoverre getuigt de motivering van de Ondernemingskamer m.i. van een onjuiste rechtsopvatting. Verzoekers hebben echter geen belang bij hun klachten op dit punt, aangezien dit niet tot een andere uitkomst kan leiden. De Eerste Procedure was met de beschikking van uw Raad van 25 juni 2010 alsnog geëindigd. Een verzoek tot onmiddellijke voorzieningen kan, ook als dat is gedaan voor het einde van het geding, m.i. niet zelfstandig het geding gaande houden en levert ook geen aanspraak op voor de gevraagde voorzieningen nadat het geding is geëindigd.(30) De Ondernemingskamer had dus niet meer de mogelijkheid in de Eerste Procedure om op 10 november 2010 onmiddellijke voorzieningen te treffen. 3.22 Subonderdeel A.3 faalt m.i. ook, omdat het uitgangspunt van dat subonderdeel onjuist is. Anders dan het subonderdeel betoogt, kan niet worden volgehouden dat indien een tijdelijke voorziening nog na de looptijd effect sorteert, aan de werking van deze voorziening 'en daarmee […]”

r.o. 3.21

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BV1056
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
23 maart 2012
Datum publicatie
23 maart 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:346 BW, 2:349a BW, 2:355 BW, 2:356 BW, 2:357 BW, 2:335 BW, 2:336 BW
Thema
Enquêterecht, Geschillenregeling
Weekoverzicht
Week 12 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.