← Week 15

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 april 2012

Stichtingsbestuurder aansprakelijk voor beleggingsavontuur; A-G: motiveringsklacht faalt, artikel 81 RO

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting belegde de gelden die bestemd waren voor aflossing van een hypothecaire lening in een riskant project, waarna de gemeente als borg moest betalen. Het hof hield een stichtingsbestuurder, de gevolmachtigde en diens vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, onder meer op grond van artikel 2:9 BW voor de bestuurder. In cassatie klagen zij dat het hof een impliciete grief niet heeft behandeld. De A-G concludeert dat het middel faalt en dat het beroep met toepassing van artikel 81 RO kan worden afgedaan.

Kernoverwegingen

“[Betrokkene 2], [betrokkene 1] en eisers tot cassatie zijn in hoger beroep gegaan. Hof Amsterdam heeft in het bestreden arrest van 21 september 2010 het vonnis vernietigd. De voornaamste wijziging ten opzichte van het oordeel van de rechtbank is dat het hof tot de conclusie komt dat [betrokkene 2] niet aansprakelijk is. Weliswaar heeft het bestuur niet het inzicht getoond en de zorgvuldigheid betracht die mogen worden verwacht van een bestuur dat voor zijn taak berekend is en deze taak nauwgezet vervult en heeft het bestuur gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder de gegeven omstandigheden zou hebben gehandeld (rov. 4.3-4.20, m.n. 4.20), maar de tekortkoming is niet (in voldoende mate) aan [betrokkene 2] te wijten, zodat hij zich kan disculperen (rov. 4.29-4.33). Daarvoor acht het hof van belang dat niet vast is komen te staan dat [betrokkene 2] betrokken was bij het aangaan van de Partnership Agreement en het stellen van de bankgarantie. Verder wijst het hof erop dat [betrokkene 2] Engelstalige stukken niet goed kon doorgronden, dat er binnen het bestuur een taakverdeling was, dat [betrokkene 2] geen financiële achtergrond heeft, dat hij vertrouwen in [betrokkene 1] had na hun lange samenwerking, dat hij zijn werkzaamheden voor de Stichting zonder vergoeding verrichtte en dat niet was gebleken dat hij enig eigen voordeel uit de transactie kon verwachten. Het hof oordeelt dat [betrokkene 1] en [eiser 1] zich niet kunnen disculperen (rov. 4.21-4.28) en dat […]”

r.o. 3.4

“Het middel voldoet m.i. niet aan de o.g.v. art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen. Een cassatiemiddel moet in de cassatiedagvaarding de cassatierechter met voldoende precisie duidelijk maken waarover een beslissing wordt gevraagd en wederpartijen moeten kunnen opmaken waartegen zij zich moeten verweren.(5) Dat is niet gebeurd. De motiveringsklacht van eisers noemt wel een vindplaats voor de stelling waar het hof ten onrechte niet op in zou zijn gegaan, maar maakt niet duidelijk waarom onvoldoende zou zijn gemotiveerd. De enkele opmerking dat sprake zou zijn van een 'meest cruciaal punt', waarmee naar ik aanneem wordt bedoeld dat sprake is van een essentiële stelling, is m.i. onvoldoende. De stelling is in die zin onvoldoende uitgewerkt, terwijl dat wel op de weg van eisers had gelegen. Het cassatiemiddel maakt m.i. ook niet duidelijk waarom sprake zou zijn van een 'impliciete grief'. Er wordt slechts aangegeven dat eisers hebben opgemerkt dat rechtbank Utrecht in het vonnis van 31 januari 2007 de garanties nietig heeft verklaard en de ING tot betaling heeft bevolen. Dat lijkt me niet meer dan een feitelijke stelling en overigens één die in overeenstemming is met rov. 2.38 - 2.39 van het vonnis van de rechtbank, waar het hof in verband met de vaststaande feiten naar verwijst. Waarover de vermeende impliciete grief precies zou klagen of in welk opzicht het hof n.a.v. de stelling had moeten oordelen dat het vonnis van de rechtbank onjuist was, maakt het middel niet […]”

r.o. 4.4

“Als de klacht zo begrepen zou moeten worden dat het hof eisers aansprakelijk heeft verklaard voor de schade die de Stichting heeft geleden door het stellen van de garanties en dit oordeel (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is omdat (blijkens de impliciete grief) de ING het bedrag dat is geïnd onder de contragarantie moet terugbetalen zodat van schade geen sprake meer is, geldt dat de klacht al faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de aanleiding voor de aansprakelijkheid van eisers niet beperkt tot de betrokkenheid bij het stellen van een bankgarantie en een contragarantie. Het hof heeft in relatie tot het bestuur geoordeeld dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling en dat het bestuur een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarbij het hof tot het oordeel komt dat [eiser 1] zich niet kan disculperen. Daarbij spelen meer gedragingen en omstandigheden een rol en is de essentie van het geheel vooral de keuze om op onverantwoorde wijze in een beleggingsavontuur te stappen dat onvoldoende werd doorgrond. Ook [eiser 2] en International wordt niet slechts verweten dat zij betrokken waren bij het stellen van de bankgarantie. Het betreft hun rol bij de gehele kwestie, waarbij zij, aldus het hof, "het belang van de stichting in vergaande mate ondergeschikt hebben gemaakt aan hun eigen belang, en dat zij in zoverre ook misbruik hebben gemaakt van de hen toegekende positie en in het hen gestelde vertrouwen." 4.6 Bovendien is de klacht in deze lezing […]”

r.o. 4.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BV7346
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 april 2012
Datum publicatie
13 april 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:9 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 15 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.