← Week 21

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 mei 2012

Enquête: geen tussentijds cassatieberoep tegen toelating als belanghebbende

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure tegen een beursgenoteerde vennootschap staat de vraag centraal of de vennootschap direct in cassatie kan komen tegen de beschikking waarmee de OK een stichting heeft toegelaten als belanghebbende in de tweede fase. De A-G ziet de toelating als vergelijkbaar met voeging in de dagvaardingsprocedure en kwalificeert de toewijzing als tussenbeschikking. Omdat de OK tussentijds cassatieberoep niet had opengesteld, concludeert zij tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a Rv. bepaalt wanneer van beschikkingen van een hof cassatie kan worden ingesteld: tenzij de rechter anders heeft bepaald kan van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van een eindbeschikking cassatieberoep worden ingesteld. Nu de ondernemingskamer het verzoek van Fortis tot het openstellen van tussentijds cassatieberoep bij beschikking van 16 juni 2011 heeft afgewezen, is Fortis slechts thans ontvankelijk indien de bestreden beschikking (ten opzichte van haar) een eindbeschikking is. 2.11 Onder een tussenbeschikking dient te worden verstaan een uitspraak waarin de rechter in het dictum ervan nog niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud over enig deel van het verzochte heeft beslist(13). Onder 'het verzochte' dient hetzelfde te worden verstaan als in de dagvaardingsprocedure onder 'het gevorderde', te weten het verzoek dat inzet is van het geding(14). Met betrekking tot uitspraken in een incident geldt dat deze doorgaans tussenuitspraken zijn omdat er in het dictum van die uitspraak over het gevorderde zelf geen definitieve beslissing wordt genomen, zoals bijvoorbeeld de uitspraak in een vrijwaringsincident(15). 2.12 Ingeval van een procedure tussen verschillende partijen kan het voorkomen dat een vonnis wordt gewezen dat ten aanzien van sommige partijen een tussenvonnis is en ten opzichte van een andere partij als een eindvonnis kan worden gekwalificeerd. In de literatuur(16) wordt in dit verband vooral gewezen op het arrest […]”

r.o. 2.10

“Winters(18), De Folter(19), Ynzonides en Van Geuns(20) en Van Schaick(21) nemen op grond van dit arrest en van het arrest Ogenia/gemeente 's-Gravenhage(22) aan dat een afwijzing van een incidentele vordering tot voeging alleen ten opzichte van de partij die de voeging vorderde een eindvonnis is en ten opzichte van de overige partijen een tussenvonnis. Ik ben het met die kwalificatie eens: de beslissing op een incidentele vordering tot voeging staat los van de inzet van de hoofdzaak, maar heeft bij afwijzing wel directe gevolgen voor de partij die de voeging heeft gevorderd aangezien voor deze partij later geen beroepsmogelijkheid openstaat. 2.14 Ik meen dat voor de aard van de beslissing op het onderhavige verzoek om te worden toegelaten als belanghebbende in de enquêteprocedure kan worden aangesloten bij de regeling van het incident van voeging uit de dagvaardingsprocedure(23). Het feit dat de bepalingen over voeging en tussenkomst niet zijn geschreven voor de verzoekschriftprocedure(24) doet aan analogische toepassing niet af(25). 2.15 Het m.i. in hoge mate contentieuze karakter van de enquêteprocedure verzet zich ook niet tegen aansluiting bij onderdelen uit de dagvaardingsprocedure. Hoewel destijds voor de verzoekschriftprocedure is gekozen, is de opzet ervan voor bepaalde aspecten van de enquêteprocedure met haar veelal ingewikkelde en uitgebreide feitencomplex en haar ingrijpende karakter minder geschikt. Voor aanpassing op onderdelen aan voorschriften voor de […]”

r.o. 2.13

“Ik meen dat voor de aard van de beslissing op het onderhavige verzoek om te worden toegelaten als belanghebbende in de enquêteprocedure kan worden aangesloten bij de regeling van het incident van voeging uit de dagvaardingsprocedure(23). Het feit dat de bepalingen over voeging en tussenkomst niet zijn geschreven voor de verzoekschriftprocedure(24) doet aan analogische toepassing niet af(25). 2.15 Het m.i. in hoge mate contentieuze karakter van de enquêteprocedure verzet zich ook niet tegen aansluiting bij onderdelen uit de dagvaardingsprocedure. Hoewel destijds voor de verzoekschriftprocedure is gekozen, is de opzet ervan voor bepaalde aspecten van de enquêteprocedure met haar veelal ingewikkelde en uitgebreide feitencomplex en haar ingrijpende karakter minder geschikt. Voor aanpassing op onderdelen aan voorschriften voor de dagvaardingsprocedure is dan ook in de literatuur gepleit(26). 2.16 Ook de wetgever is zich ervan bewust dat het contentieuze karakter van de enquêteprocedure om versterking van de waarborgen van een ordelijk verloop en inbreng van partijen vraagt en heeft daarom in het in september 2011 ingediende wetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht(27) elementen uit de dagvaardingsprocedure ingebracht en de procedure aangescherpt. Zo wil de minister bijvoorbeeld met betrekking tot de wijziging van art. 2:349a lid 2 BW tegemoet komen aan het SER-advies om bij de belangenafweging in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen aan te sluiten bij […]”

r.o. 2.14

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BW0242
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 mei 2012
Datum publicatie
25 mei 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:344 BW, 2:345 BW, 2:346 BW, 2:347 BW, 2:349a BW, 2:355 BW, 2:359 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 21 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.