Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 september 2012
Reikwijdte artikel 2:299 BW: bestuur voltallig maar taakverdeling in strijd met statuten
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of de rechter op grond van artikel 2:299 BW het bestuur van een stichting kan aanvullen als het bestuur wel voltallig is, maar de interne taakverdeling in strijd is met de statuten. De A-G meent van niet: het artikel ziet op een ledige plaats in het bestuur, niet op een onjuiste taakverdeling. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik meen dat het middel dient te falen, omdat het oordeel van het hof juist is. De wet, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie geven geen volledig helder uitsluitsel over de voorliggende vraag, maar ik meen dat art. 2:299 BW niet bedoeld is voor situaties waarin het aantal bestuursleden in overeenstemming is met de statuten voorschrijven, maar een onderling te maken taakverdeling mogelijk niet. 4.6 Een eerste aanwijzing hiervoor is de historische achtergrond van het wetsartikel. De aanleiding voor de regeling is dat het in het verleden herhaaldelijk voorkwam dat een stichting geen bestuur meer had.(10) Er ontwikkelde zich een gewoonterecht, dat er in voorzag dat de rechter bestuurders kon benoemen. Later is die bevoegdheid in de wet opgenomen in art. 13 van de Wet op stichtingen uit 1956, een (nagenoeg identieke) voorganger van art. 2:299 BW. De ratio van het artikel is m.i. dan ook een oplossing te bieden wanneer het benoemen van bestuurders stil valt. Dit kan zich zowel voordoen doordat het orgaan dat bevoegd is tot benoeming niet (meer) bestaat, als wanneer deze wel bestaat maar verzuimt tot benoeming over te gaan.(11) Of de onderling te bepalen taakverdeling wel juist is, is een wezenlijk andere kwestie. 4.7 Een volgende aanwijzing is m.i. te vinden in de bewoordingen van het artikel zelf. Het geeft de rechtbank immers slechts de bevoegdheid om te voorzien in een 'ledige plaats'. De benoeming noch de onderlinge bevoegdheidsverdeling van bestuurders van stichtingen is […]”
r.o. 4.5
“Een eerste aanwijzing hiervoor is de historische achtergrond van het wetsartikel. De aanleiding voor de regeling is dat het in het verleden herhaaldelijk voorkwam dat een stichting geen bestuur meer had.(10) Er ontwikkelde zich een gewoonterecht, dat er in voorzag dat de rechter bestuurders kon benoemen. Later is die bevoegdheid in de wet opgenomen in art. 13 van de Wet op stichtingen uit 1956, een (nagenoeg identieke) voorganger van art. 2:299 BW. De ratio van het artikel is m.i. dan ook een oplossing te bieden wanneer het benoemen van bestuurders stil valt. Dit kan zich zowel voordoen doordat het orgaan dat bevoegd is tot benoeming niet (meer) bestaat, als wanneer deze wel bestaat maar verzuimt tot benoeming over te gaan.(11) Of de onderling te bepalen taakverdeling wel juist is, is een wezenlijk andere kwestie. 4.7 Een volgende aanwijzing is m.i. te vinden in de bewoordingen van het artikel zelf. Het geeft de rechtbank immers slechts de bevoegdheid om te voorzien in een 'ledige plaats'. De benoeming noch de onderlinge bevoegdheidsverdeling van bestuurders van stichtingen is geregeld in de wet. Als uitgangspunt bij benoemingen geldt dat er geen sprake is van een kwalitatieve benoeming - waarbij personen voor specifieke functies binnen het bestuur worden benoemd -, tenzij de statutaire regeling daar wel in voorziet.(12) Deze niet-kwalitatieve wijze van benoemen impliceert dat het al dan niet juist zijn van de onderlinge taakverdeling, daargelaten wat dat voor gevolgen heeft […]”
r.o. 4.6
“Een volgende aanwijzing is m.i. te vinden in de bewoordingen van het artikel zelf. Het geeft de rechtbank immers slechts de bevoegdheid om te voorzien in een 'ledige plaats'. De benoeming noch de onderlinge bevoegdheidsverdeling van bestuurders van stichtingen is geregeld in de wet. Als uitgangspunt bij benoemingen geldt dat er geen sprake is van een kwalitatieve benoeming - waarbij personen voor specifieke functies binnen het bestuur worden benoemd -, tenzij de statutaire regeling daar wel in voorziet.(12) Deze niet-kwalitatieve wijze van benoemen impliceert dat het al dan niet juist zijn van de onderlinge taakverdeling, daargelaten wat dat voor gevolgen heeft voor het functioneren van het bestuur en de uitoefening van bevoegdheden, niet raakt aan de rechtsgeldigheid van de benoeming van de bestuurders als zodanig. Dit impliceert m.i. dat er in zo'n situatie geen 'ledige plaats' in het bestuur bestaat in de zin van art. 2:299 BW. Er is mogelijk wel een functie binnen het bestuur die alsnog op de juiste wijze moet worden ingevuld, maar geen plaats. 4.8 Ook Den Tonkelaar en Schmieman(13) gaan uit van een kwantitatief uitgangspunt en noemen alleen de situatie dat "het door de statuten voorgeschreven aantal bestuurders niet in functie is" (onderstreping A-G). In een beschikking(14) van 1 oktober 2003 heeft Hof Leeuwarden tot uitgangspunt genomen dat de rechter alleen o.g.v. art. 2:299 BW tot benoeming van bestuursleden over kan gaan als het aantal bestuursleden daalt onder het […]”
r.o. 4.7