Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 december 2012
Enquête: motiveringsklachten tegen vastgesteld wanbeleid en onderzoekskosten; conclusie tot verwerping
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Conclusie in cassatie in een enquêteprocedure waarin de OK wanbeleid vaststelde, de bestuurder ontsloeg en de verzoekers hoofdelijk de onderzoekskosten liet betalen. De A-G behandelt zeven middelen met vooral motiveringsklachten en meent dat geen enkele slaagt. Hij benadrukt onder meer dat een enquêteonderzoek in beginsel tot de indiening van het verzoek loopt, maar bij bijzondere omstandigheden ook daarna kan lopen. Hij concludeert tot verwerping met afdoening op grond van artikel 81 RO.
Kernoverwegingen
“De klachten van middel II kunnen m.i. niet slagen. Daarbij moet vooropgesteld worden dat geen van de klachten opkomt tegen de door de Ondernemingskamer gegeven motivering waarom het naar zijn oordeel op de weg van [verzoeker 2] (in zijn rol bij [verweerster 3] als bestuurder van Schidorf) had gelegen om [betrokkene 4 t/m 6] adequaat te informeren. De gedachte van de Ondernemingskamer is dat weliswaar niet helemaal duidelijk is hoe e.e.a. is verlopen, maar dat, hoe dan ook sprake is van onjuist beleid, omdat [verzoeker 2] (a) door [betrokkene 4 t/m 6] niet adequaat te informeren risico's voor Schidorf in het leven heeft geroepen die niet acceptabel waren, in die zin dat hij door [betrokkene 4 t/m 6] niet goed te informeren het risico creëerde dat zij een beroep zouden kunnen doen op het tekortschieten door Schidorf, of (b) hij in geval hij wel goed zou hebben geïnformeerd, bij het ontbinden van de overeenkomst met [betrokkene 4 t/m 6] onnodig ongunstige voorwaarden is overeengekomen (in de vorm van de boete van € 175.000,-). Dat het door de Ondernemingskamer genoemde risico zich niet heeft verwezenlijkt, doordat uiteindelijk de koop überhaupt (kennelijk om andere redenen) is teruggedraaid, doet aan de gedachtegang van de Ondernemingskamer niet af. De Ondernemingskamer overweegt slechts dat er een onacceptabel risico is geschapen, niet dat die zich zou hebben gerealiseerd. Dit impliceert m.i. ook dat middelonderdeel 3.2.2.a en b niet kunnen slagen. 4.8 Ik meen dat […]”
r.o. 4.7
“Ik meen dat middelonderdeel 3.2.2.c niet helemaal begrijpelijk is. Ik krijg de indruk dat de klacht voor de voorliggende vraag (of sprake is van onjuist beleid) aanknoopt bij de maatstaf die geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid, door aan te geven dat alleen 'onder bijzondere omstandigheden' aan een bestuurder 'een verwijt' kan worden gemaakt voor het tekortschieten van de vennootschap. Uit rov. 4.7 blijkt dat de Ondernemingskamer meent dat [verzoeker 2] persoonlijk verweten kan worden dat hij, ondanks wetenschap over het belangrijke onderscheid tussen Parzellierung en Parafizierung, heeft nagelaten [betrokkene 4 t/m 6] hierover te informeren. Daarbij heeft de Ondernemingskamer niet geoordeeld dat 'het enkele tekortschieten' door de vennootschap onjuist beleid door de bestuurder impliceert. Het oordeel van de Ondernemingskamer is gebaseerd op falende informatievoorziening door [verzoeker 2] en de risico's die dat meebracht voor de vennootschap. De overige argumenten die in het middelonderdeel naar voren worden gebracht, zoals het feit dat [verweerster 2] en [betrokkene 1] zouden hebben gekozen voor Parzellierung, doen m.i. niet af aan het oordeel van de Ondernemingskamer. 4.9 Middel III richt zich deels tegen het oordeel in rov. 4.10 over het ontbreken van een behoorlijke toelichting m.b.t. de in de overeenkomst van 11 december 2009 met [betrokkene 4 t/m 6] vastgelegde schadevergoeding van € 175.000,-, (waarbij een vierkante meterprijs van € 75,- werd gehanteerd) en over […]”
r.o. 4.8
“Het is juist dat, zoals middelonderdeel 3.5.7 aanvoert, een enquêteonderzoek in beginsel is beperkt tot de periode tot het moment dat het verzoek is ingediend. Wanneer bijzondere omstandigheden daar aanleiding toe geven, kan het onderzoek ook op de periode na de indiening betrekking hebben(13). De klacht kan m.i. niet tot cassatie leiden, omdat zij afstuit op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. [verweersters] hadden in hun inleidende verzoekschrift verzocht om de onderzoeksperiode te beperken tot de periode van 15 juni 2007 tot en met de datum van de indiening van het verzoek. De Ondernemingskamer heeft bij het wijzen van de beschikking van 29 september 2010, waarin het onderzoek bevolen, aanleiding gezien de einddatum niet over te nemen. M.i. hadden [verzoekers], als zij tegen de ruimere periode voor het onderzoek hadden willen opkomen, cassatie in moeten stellen tegen die beschikking, wat zij hebben nagelaten. 4.23 Middel VI richt zich tegen rov. 4.13. De Ondernemingskamer heeft daar geoordeeld dat en waarom [verzoekster 1] verantwoordelijk is voor het geconstateerde wanbeleid. De klachten in middelonderdeel 3.6.3 tegen rechtsoverweging 4.13 houden, naar ik begrijp, het volgende in: - De overweging van de Ondernemingskamer is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, omdat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - als zou worden vastgesteld dat zij zich intensief bezighielden met het beleid - zich in hun hoedanigheid van pseudo […]”
r.o. 4.22