Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 november 2013
Internationale bevoegdheid bij interne bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW onder EEX-Verordening
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een Nederlandse vennootschap en haar Duitse zustervennootschappen vorderen van een in Duitsland wonende voormalige bestuurder en directeur schadevergoeding wegens onbehoorlijke taakvervulling. De A-G concludeert dat een vordering op grond van artikel 2:9 BW voor de internationale bevoegdheid een verbintenis uit overeenkomst is, met de vestigingsplaats van de bestuurde vennootschap als plaats van uitvoering. Vorderingen uit de arbeidsovereenkomst vallen onder de arbeidsbepalingen van de EEX-Verordening. De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Naar Nederlands recht moet een onderscheid worden gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een bestuurder in zijn hoedanigheid van bestuurder (op basis van art. 2:9 BW) en de aansprakelijkheid van een bestuurder in zijn hoedanigheid van werknemer (op basis van art. 7:661 BW). In de onderhavige zaak rijst de vraag op welke wijze dit internrechtelijke onderscheid zijn reflectie krijgt op het niveau van het internationaal bevoegdheidsrecht, in het bijzonder op het niveau van de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening. Voor iedere grondslag van de vordering moet worden bepaald of de Nederlands rechter rechtsmacht toekomt. De consequentie daarvan kan zijn dat de gerechten van verschillende lidstaten bevoegd zijn voor de verschillende vorderingen. Dit bezwaar van versnippering van de vorderingen over verschillende rechters kan de eiser voorkomen door zijn vorderingen aanhangig te maken bij de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (art. 2 EEX-Vo). Deze rechter kan immers in beginsel kennis nemen van alle tegen de verweerder ingestelde vorderingen. Voor de volledigheid wijs ik erop dat in het onderhavige geval de exclusieve bevoegdheidsbepaling van art. 22 sub 2 EEX-Vo niet voor toepassing in aanmerking komt, omdat het geschil niet de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van een vennootschap betreft dan wel een besluit van haar organen.”
r.o. 2.5
“Op grond van laatstgenoemde prejudiciële beslissing van het Hof en de ruime uitleg van het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ kan worden aangenomen dat art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo ook van toepassing is op de verbintenis van een bestuurder tot behoorlijke taakvervulling jegens de door hem bestuurde vennootschap. Deze verbintenis is immers gebaseerd op een met de instemming van zowel de vennootschap als de betrokken bestuurder tussen hen vrijwillig in het leven geroepen rechtsverhouding. De bestuurder van een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die als zodanig wordt benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders komt niet alleen in een vennootschapsrechtelijke verhouding maar ook in een contractuele verhouding tot deze vennootschap te staan, waarbij veelal sprake is van een arbeidsovereenkomst. De vordering uit hoofde van art. 2:9 BW is niet gebaseerd op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en haar bestuurder, maar op de tussen hen bestaande vennootschapsrechtelijke verhouding.”
r.o. 2.8
“Uit het voorgaande volgt dat subonderdeel 2.1 naar mijn mening slaagt, nu de primaire vordering van [eiseres] c.s. is gebaseerd op onbehoorlijke taakvervulling zoals bepaald in art. 2:9 BW. De Nederlandse rechter kan aan art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo internationale bevoegdheid ontlenen wanneer de verbintenis die aan de vorderingen ten grondslag ligt, op Nederlands grondgebied is of moet worden uitgevoerd. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is de verbintenis tot behoorlijke taakvervulling. Blijkens het partijdebat in appel, verschillen partijen van mening over de vraag of deze verbintenis in Nederland werd of diende te worden uitgevoerd. Op grond van de genoemde prejudiciële beslissing van 22 maart 1983 kan echter worden aangenomen dat de plaats van vestiging van de betrokken vennootschap waarin de vennootschappelijk bestuurder zijn bestuursactiviteiten heeft uitgeoefend als plaats van uitvoering in de zin van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo heeft te gelden. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU zie ik in deze zaak geen reden, nu sprake is van een acte éclairé. Voor zover de vordering inzake onbehoorlijke taakvervulling mede betrekking heeft op het bestuur van de Duitse vennootschappen, volgt uit het bovenstaande dat de Nederlandse rechter daarvoor geen rechtsmacht toekomt op basis van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo, omdat deze Duitse vennootschappen niet in Nederland zijn gevestigd. Uit het partijdebat in appel blijkt overigens dat het een […]”
r.o. 2.9