Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 november 2013
Enquête joint venture-vennootschap: vennootschappelijk belang, wanbeleid en verwatering
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak over een joint venture-vennootschap bespreekt de A-G cassatieklachten tegen de vaststelling van wanbeleid door de OK. Het bestuur moet zich ook bij een joint venture richten naar het belang van de vennootschap en de onderneming. Dat belang is niet zonder meer gelijk aan het belang van de joint venture-partners, en het bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid voor evenwichtige verhoudingen en informatieverschaffing. De klachten falen in het beschikbare deel van de conclusie.
Kernoverwegingen
“De klachten van onderdeel 1.9.2 worden tevergeefs voorgesteld. Het bestuur dient zich bij de vervulling van zijn taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze regel, die sinds 1 januari 2013 ook is vastgelegd in art. 2:239 lid 5 BW, brengt mee dat het bestuur bij zijn besluitvorming de belangen van alle betrokkenen, waaronder ook de belangen van de aandeelhouders, in aanmerking dient te nemen (zie onder meer HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.1 (ASMI I)). Een en ander geldt ook wanneer de vennootschap een rol vervult in het kader van een ‘joint venture’ van de aandeelhouders. Het belang waarnaar het bestuur van een joint venture-vennootschap zich dient te richten, zal in dat geval mede gekleurd worden door het karakter van de joint venture en de bijzondere omstandigheden van het geval. Het is niet m.i. zonder meer zo dat het vennootschappelijk belang van een joint venture-vennootschap gelijk is aan de belangen van haar aandeelhouders (de joint venture-partners), zoals het onderdeel kennelijk meent.”
r.o. 4.3.23
“Dit betoog van het onderdeel spreekt zeker aan. Het bestuur van een joint venture-vennootschap zal in de regel immers niet tot taak hebben om de weloverwogen gezamenlijke beleidskeuzes van de ter zake deskundige joint venture-partners, met het oog op de belangen van diezelfde joint venture-partners te heroverwegen en te corrigeren. Toch kan het genoemde betoog in ieder geval in het onderhavige geval niet overtuigen. Het gegeven dat een beleidskeuze de steun heeft van de aandeelhouders/joint venture-partners, neemt niet weg dat het bestuur in dat kader een zekere eigen verantwoordelijkheid kan hebben om de nodige zorg te besteden aan handhaving van evenwichtige verhoudingen binnen de joint venture (bijvoorbeeld in het geval dat redelijkerwijs te voorzien is dat een onevenwichtige verhouding tussen de partners in de weg zou staan aan het succes van de door of middels de joint venture-vennootschap gedreven onderneming). In het verlengde hiervan meen ik dat, als een beleidskeuze berust op de instemming van de aandeelhouders/joint venture-partners, het bestuur van de joint venture-vennootschap een eigen taak kan hebben bij de uitvoering van dat beleidsvoornemen (bijvoorbeeld in het kader van de adequate schriftelijke vastlegging van afspraken en een adequate informatieverschaffing aan ieder van de partners).”
r.o. 4.3.25
“De Ondernemingskamer heeft bij haar oordeel uitdrukkelijk acht geslagen op de rol van de Vennootschap binnen de door Holding I en Inversiones opgezette joint venture (zie onder meer rov. 3.4). Voorts heeft de Ondernemingskamer in aanmerking genomen dat de medewerking van het bestuur van de Vennootschap aan de eerste verwatering, feitelijk plaatsvond op basis van de gezamenlijke wens daartoe van de aandeelhouders Holding I, Inversiones en Invernostra. Ook heeft de Ondernemingskamer acht geslagen op de omstandigheid dat de lening van (maximaal) USD 60 miljoen direct opeisbaar dreigde te worden en er om die reden sprake was van een zekere tijdsdruk (zie onder meer rov. 3.14.1 en 3.15). Een en ander doet naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet af aan het gegeven dat het bestuur van de Vennootschap ernstige verwijten zijn te maken voor zijn optreden in het kader van de eerste verwatering en zijn optreden in de situatie die ontstond toen op 9 juli 2009 duidelijk werd dat Banco Sabadell de beoogde aanvullende financiering niet zou verstrekken (zie rov. 3.20 t/m 3.21). De Ondernemingskamer oordeelt dat het bestuur van de Vennootschap onder meer verweten kan worden dat het heeft nagelaten om ervoor te zorgen dat er sprake was van een adequate schriftelijke vastlegging van de afspraken over de voorgenomen aandelenuitgifte door Efesyde, en ook is nagelaten om te anticiperen op een mogelijke weigering van Banco Sabadell om een additionele financiering te verstrekken. Door dit […]”
r.o. 4.3.26