Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 december 2013
Verbod en ontbinding vereniging wegens strijd met openbare orde; ontwrichtingsvereiste
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het openbaar ministerie verzocht om verbodenverklaring en ontbinding van een vereniging wegens werkzaamheid die in strijd is met de openbare orde (artikel 2:20 BW). De A-G acht het ontwrichtingsvereiste een zelfstandig vereiste, maar meent dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld welke gevolgen grootschalige toepassing van het uitgedragen gedachtegoed voor de samenleving heeft. Ook oordeelt hij dat een ontbonden vereniging voortbestaat voor zover nodig voor vereffening en dus in hoger beroep ontvankelijk is. Hij concludeert tot vernietiging en zelfafdoening door verbodenverklaring en ontbinding.
Kernoverwegingen
“Subonderdeel 1.1 veronderstelt dat de vereniging reeds opgehouden is te bestaan. Zie ik het goed, dan staat in deze procedure weliswaar vast dat de vereniging door de rechtbank is ontbonden en daarbij een vereffenaar is benoemd, maar niet dat er geen (potentiële) baten aanwezig (meer) zijn of dat de afwikkeling van het vermogen van de vereniging volledig is afgerond. Het gerechtshof heeft hierover niets vastgesteld; een en ander volgt evenmin uit de gedingstukken. Het door het OM bij het verweerschrift in appel gevoegde uittreksel van het handelsregister van de vereniging vermeldt alléén de datum (‘27-06-2012’) en reden van de ontbinding (‘rechterlijke uitspraak’), niet dat de vereffening is geëindigd (vgl. art. 2:19 lid 6 BW). De brief van 5 maart 2013 van de vereffenaar van de vereniging, die bij requisitoir in appel is overgelegd, stelt weliswaar dat er geen sprake is van enig actief in de vereniging, maar sluit niet geheel uit dat er in de toekomst nog werkzaamheden moeten worden verricht in verband met de vereffening (‘zullen er […] nauwelijks nog werkzaamheden hoeven te worden verricht’). Art. 2:19 lid 5 BW, waarin wordt bepaald dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is, brengt bij deze stand van zaken mee dat aangenomen moet worden althans niet kan worden uitgesloten dat de vereniging thans nog voortleeft. Subonderdeel 1.2 is gegrond op de veronderstelling dat de opdracht tot het instellen van het […]”
r.o. 4.4
“Naar mijn mening heeft de Hoge Raad met het element van de (dreigende) ontwrichting in de Hells Angels-beschikking gevolg willen geven aan gedachten die in de wetsgeschiedenis van art. 2:20 BW te vinden zijn. Ik verwijs naar de hierboven onder 3A weergegeven parlementaire behandeling en vooral de cursief gedrukte delen daarvan. Ik zie geen grond voor het bezwaar dat het ontwrichtingsvereiste een arbitraire keuze of juridisch minder verantwoord zou zijn. Aan het vereiste ligt de gedachte ten grondslag dat niet iedere aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel een vergaande beperking van vrijheden zoals ontbinding van een rechtspersoon rechtvaardigt, maar alleen een aantasting die, op zichzelf en wat betreft de gevolgen ervan en indien op grote schaal toegepast tot grote onrust in de samenleving kan leiden. Ik meen dat de rechter de ruimte moet hebben om tot het oordeel te komen dat een eenmaal vastgestelde aantasting niet voldoende ernstig is om een beperking van bepaalde vrijheden te rechtvaardigen. Een andere opvatting zou onvoldoende recht doen aan het uitgangspunt van de wetgever dat de openbare orde slechts in uitzonderingsgevallen tot ontbinding van een rechtspersoon moet leiden. Daarbij is ook te bedenken dat art. 2:20 BW niet alleen betrekking heeft op gedragingen die strafbaar zijn gesteld. Dit laatste blijkt uit de Hells Angels-beschikking. Hierin spreekt de Hoge Raad over strijd met de openbare orde, zoals een structurele situatie en […]”
r.o. 4.10
“Het ontwrichtingsvereiste heeft betrekking op de werkzaamheid van de rechtspersoon: de werkzaamheid van de rechtspersoon dient voor de samenleving ontwrichtend te zijn. In dit geval bestaat de werkzaamheid van de vereniging uit materiaal op de website en de uitlatingen van (voormalig) bestuurders in de media. Het gaat er dan uiteraard om te bezien welk gedachtegoed in het materiaal en de uitlatingen tot uiting komt en vervolgens te beoordelen welke gevolgen dit gedachtegoed voor de samenleving zou kunnen hebben.”
r.o. 4.14