Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 juni 2013
Stuiting verjaring jegens opgehouden rechtspersoon: artikel 54 Rv of heropening vereffening
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aansprakelijk gestelde vennootschap betwistte dat de verjaring van belastingschulden van een opgehouden rechtspersoon was gestuit door een dwangbevel aan het parket. Volgens haar had de vereffening op grond van artikel 2:23c BW moeten worden heropend. De A-G ziet daarvoor onder andere op grond van de wetsgeschiedenis en de voorwaarden van artikel 2:23c BW geen noodzaak en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Vierde Tranche Awb blijkt dat de wetgever in het kader van de invordering van belastingschulden de procedure van heropening van de vereffening van art. 2:23c BW de revue heeft laten passeren. In het oorspronkelijke wetsvoorstel had de wetgever nog geen specifieke regeling getroffen voor de invordering van belastingaanslagen gezien het voorstel om art. 27 IW 1990 geheel te laten vervallen zodat de verjaring van belastingschulden zou worden geregardeerd door de Awb(32). Bij nota van wijzing werd het eerder ingediende wetsvoorstel echter zodanig gewijzigd dat in het eerste lid van art. 27 IW 1990 werd opgenomen dat de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling kan stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt en voorts dat in het tweede lid art. 2:23c BW van overeenkomstige toepassing werd verklaard bij de invordering van belastingaanslagen(33). Deze weg werd echter nog vóórdat het wetsvoorstel in de Tweede kamer was besproken, ongeschikt geacht en werd bij de tweede nota van wijziging in art. 27 IW 1990 tweede lid bepaald dat de aansprakelijkgestelde in de plaats van de belastingschuldige treedt indien deze is opgehouden te bestaan(34). 2.15 De Minister van Justitie heeft het terugkomen op het eerdere voorstel om art. 2:23c BW van overeenkomstige toepassing te verklaren in geval van aansprakelijkstelling voor een belastingschuld met het oog op de stuiting van […]”
r.o. 2.14
“Tegen het volgen van de weg van art. 2:23c BW kan worden aangevoerd dat uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van het huidige art 27 IW blijkt dat de wetgever daar bewust niet voor heeft gekozen omdat het een omslachtige manier is om de verjaring te stuiten en de procedure van art. 2:23c BW daarvoor niet is bedoeld(37). 2.19 Een volgend bezwaar is dat art. 2:23c BW het bestaan van een bate als voorwaarde stelt voor de heropening van de vereffening. Verplichtstelling van de heropening van de vereffening louter met het oog op de betekening van een dwangbevel aan een ontbonden niet meer bestaande rechtspersoon zodat de verjaring ten opzichte van de aansprakelijk gestelde wordt gestuit, zou er m.i. op neer komen dat het uitbrengen van een stuitingsexploot ten behoeve van de aansprakelijk gestelde bij fictie gelijk wordt gesteld met het opkomen van een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo dan wel het bestaan van een bate. Ondanks de terughoudende toetsing van de rechter(38) acht ik het - anders dan het onderdeel stelt - niet zonneklaar dat genoemd criterium analoog kan worden toegepast(39). Bovendien komt deze omweg mij ook om proceseconomische redenen onwenselijk voor(40). 2.20 Ten slotte meen ik dat toepassing van de weg van art. 2:23c BW als nadeel heeft dat de ontvanger het tijdstip van het doen van de stuitingsmededeling niet zelf in de hand heeft. 2.21 Alles afwegende zie ik minder zwaarwegende argumenten tegen toepassing naar analogie van de weg van […]”
r.o. 2.18
“Een volgend bezwaar is dat art. 2:23c BW het bestaan van een bate als voorwaarde stelt voor de heropening van de vereffening. Verplichtstelling van de heropening van de vereffening louter met het oog op de betekening van een dwangbevel aan een ontbonden niet meer bestaande rechtspersoon zodat de verjaring ten opzichte van de aansprakelijk gestelde wordt gestuit, zou er m.i. op neer komen dat het uitbrengen van een stuitingsexploot ten behoeve van de aansprakelijk gestelde bij fictie gelijk wordt gesteld met het opkomen van een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo dan wel het bestaan van een bate. Ondanks de terughoudende toetsing van de rechter(38) acht ik het - anders dan het onderdeel stelt - niet zonneklaar dat genoemd criterium analoog kan worden toegepast(39). Bovendien komt deze omweg mij ook om proceseconomische redenen onwenselijk voor(40). 2.20 Ten slotte meen ik dat toepassing van de weg van art. 2:23c BW als nadeel heeft dat de ontvanger het tijdstip van het doen van de stuitingsmededeling niet zelf in de hand heeft. 2.21 Alles afwegende zie ik minder zwaarwegende argumenten tegen toepassing naar analogie van de weg van art. 54 Rv. dan van de weg van art. 2:23c BW. In die visie stuit onderdeel 1 in zijn geheel af op het feit dat het hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en behoeven de afzonderlijke subonderdelen geen verdere bespreking. Ik teken daarbij aan dat de weg van analoge toepassing van art. 54 Rv. m.i. uitsluitend zou moeten […]”
r.o. 2.19