← Week 23

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 juni 2013

Bewijs van bestaan vof: dwingend bewijsvoorschrift artikel 22 WvK

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om de vraag of een hof het aanbod van getuigenbewijs voor het bestaan van een vof mocht passeren omdat tussen vennoten het bestaan van een vof alleen met een akte kan worden bewezen. De A-G acht artikel 22 WvK nog onverminderd een dwingend bewijsvoorschrift. Het hof hoefde de gestelde overeenkomst niet ambtshalve anders te kwalificeren omdat onvoldoende feiten waren gesteld. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De middelen falen, nu zij enerzijds miskennen dat de rechter slechts aan het aanvullen van rechtsgronden toekomt, wanneer door partijen voldoende (rechts)feiten zijn gesteld (art. 24 jo 149 Rv), en anderzijds miskennen dat de rechter eerst aan het aanvullen van rechtsgronden toekomt op het moment dat de zaak in staat van wijzen verkeert. Het is dus niet de taak van de rechter om partijen lopende het geding bewijsopdrachten te geven voor feiten die niet zijn gesteld, maar die latere aanvulling van de rechtsgronden zouden kunnen faciliteren. 3.9 In onderhavige zaak was onduidelijk gebleven tussen welke personen de gestelde overeenkomst zou zijn gesloten; stond vast dat de gestelde onderneming de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam zou betreffen, en leek op grond van de overgelegde stukken (waarvan de echtheid niet werd betwist) voorshands sprake van een arbeidsrelatie tussen [eiser 1] en [verweerder 1]. Op grond van deze feiten kon het hof noch het bestaan van een maatschap in enge zin, noch het bestaan van een v.o.f. aannemen. Mij dunkt dat zolang niet duidelijk is tussen wie de overeenkomst is gesloten, geen enkele personenassociatie kan worden aangenomen. 3.10 In het arrest waarnaar het middel verwijst (HR 6 juni 1956, NJ 1957, 333), oordeelt de Hoge Raad slechts dat aan een van de basisvereisten voor het aannemen van een commanditaire vennootschap niet is voldaan, maar dat veeleer sprake lijkt van een schenking. Hoe dit arrest in onderstaande zaak zou […]”

r.o. 3.8

“In onderhavige zaak was onduidelijk gebleven tussen welke personen de gestelde overeenkomst zou zijn gesloten; stond vast dat de gestelde onderneming de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam zou betreffen, en leek op grond van de overgelegde stukken (waarvan de echtheid niet werd betwist) voorshands sprake van een arbeidsrelatie tussen [eiser 1] en [verweerder 1]. Op grond van deze feiten kon het hof noch het bestaan van een maatschap in enge zin, noch het bestaan van een v.o.f. aannemen. Mij dunkt dat zolang niet duidelijk is tussen wie de overeenkomst is gesloten, geen enkele personenassociatie kan worden aangenomen. 3.10 In het arrest waarnaar het middel verwijst (HR 6 juni 1956, NJ 1957, 333), oordeelt de Hoge Raad slechts dat aan een van de basisvereisten voor het aannemen van een commanditaire vennootschap niet is voldaan, maar dat veeleer sprake lijkt van een schenking. Hoe dit arrest in onderstaande zaak zou kunnen leiden tot het zonder de onderliggende rechtsfeiten ambtshalve kwalificeren van de gestelde overeenkomst, is mij niet duidelijk. De middelen lichten dit punt ook niet toe. 3.11 Middel III betoogt - zakelijk weergegeven - dat het hof zich niet door de v.o.f. vormvereisten had mogen laten afleiden in het bijzonder aangezien deze bepaling (art. 22 K) zoals geïnterpreteerd intern inconsistent; doelloos; strijdig met leerstellige zienswijzen; niet synchroon althans met tegenwoordige gewoonte en in strijd met de maatstaf van redelijkheid en […]”

r.o. 3.9

“Het bewijsvoorschrift brengt mee dat het ontbreken van een akte in interne verhoudingen in de weg staat aan het aannemen van het bestaan van de v.o.f. De Hoge Raad heeft al in 1902 een uitzondering op dit uitgangpunt toegestaan voor gevallen waarin uit de wederzijds gestelde en overeenstemmende feiten onweerlegbaar blijkt dat partijen gedurende een aantal jaren onafgebroken feitelijk een vennootschap onder firma hebben gevoerd(17). Door sommigen wordt aangenomen dat het voorschrift ook onder andere omstandigheden in de interne verhoudingen toepassing kan missen(18); maar de wetgever ging er in 2008 nog van uit dat art. 22 WvK de akte wel degelijk dwingend voorschrijft als aan de vennoten enig toegelaten bewijsmiddel(19). Ook in lagere rechtspraak(20) en literatuur(21) wordt de eis nog naar de letter genomen. 3.16 Sommige auteurs beschouwen art. 22 WvK als achterhaald(22). Voorshands is men het evenwel eens dat art. 22 WvK vennoten belet om zich op vermoedens en getuigenbewijs te baseren wanneer zij zich jegens een andere vennoot of een derde op het bestaan van de v.o.f. beroepen(23). Wanneer het bestaan van de v.o.f. niet wordt betwist, komt art. 22 WvK niet aan de orde(24). Ook staat niet ter discussie dat wanneer een vennoot zich naar huidig recht jegens een andere vennoot of een derde op het bestaan van de v.o.f. beroept, dit bestaan eerst als bewezen kan gelden indien uit de in art. 22 WvK bedoeld akte(n) blijkt dat partijen de wil hadden een v.o.f. aan te gaan en […]”

r.o. 3.15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:CA3786
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
7 juni 2013
Datum publicatie
12 juli 2013
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 23 van 2013

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.