Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 juni 2013
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: misbruik derdengelden advocatenpraktijk, artikel 2:248 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de bestuurder en feitelijk beleidsbepaler van een groep vennootschappen met een advocatenpraktijk aan op grond van artikel 2:248 BW wegens misbruik en onttrekking van derdengelden. Het hof wees de vordering toe. De A-G concludeert dat de cassatiemiddelen falen: het misbruik van derdengelden is kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en een belangrijke oorzaak van het faillissement, ook als andere factoren hebben meegewerkt. Hij geeft toepassing van artikel 81 RO in overweging.
Kernoverwegingen
“Los van het antwoord op de vraag of tegenover de verweten betalingen vanaf de derdengeld-rekeningen inderdaad vorderingen of andere activa stonden, al dan niet in rekening-courant, blijft een feit dat derdengelden nimmer mogen worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn bestemd. [eiser] heeft niet bestreden dat hij, hoewel zelf geen advocaat, heeft geweten of moeten begrijpen dat de derdengelden niet voor andere doeleinden hadden mogen worden aangewend dan waarvoor zij waren bestemd; evenmin heeft [eiser] bestreden dát hij dit heeft gedaan, althans dat hij als bestuurder of feitelijk beleidsbepaler daarvoor verantwoordelijk is. Daarmee is de kwalificatie 'misbruik van derdengelden' door het hof voldoende verklaard. Het misbruik van de derdengelden en het vervolgens opnemen daarvan is door het hof beschouwd als een 'kennelijk onbehoorlijke taakvervulling' in de zin van art. 2:248 BW. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 2.5. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk: het hof heeft vastgesteld dat € 136.767,30 aan derdengelden ontbrak. Deze vaststelling was gegrond op de constatering van de curator dat er voor € 172.639,79 aan 'echte' derdengelden was geboekt en dat de derdengeldrekeningen slechts een batig saldo van € 35.872,49 hadden. De door [eiser] gestelde omstandigheid dat bij onttrekking van gelden aan een derdengeldrekening 'evenzovele vorderingen tot herstel of terugboeking ontstaan' neemt niet het feit weg dat in totaal € […]”
r.o. 2.4
“In de redenering van het hof heeft het misbruik van derdengelden tot gevolg gehad dat de voor het voortbestaan van Legal Point noodzakelijke financiering in gevaar kwam. In de klacht wordt miskend dat de mededeling van de Deken aan de bank en de daarop volgende weigering van de Rabobank van verdere kredietverlening, waarna het faillissement onafwendbaar werd, toerekenbare gevolgen zijn geweest van dit misbruik van derdengelden, zoals het hof heeft overwogen. Voor zover [eiser] met deze klacht tot uitdrukking heeft willen brengen dat bij een faillissement op eigen aangifte nadat de Deken een bestuurder van de vennootschap(pen) heeft aangespoord tot het doen van eigen aangifte, de geconstateerde 'onbehoorlijke taakvervulling' in de vorm van misbruik van derdengelden en onttrekking van die gelden geen belangrijke oorzaak van het faillissement kán zijn, gaat het middel uit van een verkeerde rechtsopvatting. Voor het in art. 2:248 BW vereiste oorzakelijk verband is méér nodig dan enkel een condicio sine qua non-verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement(6), maar dit wil niet zeggen dat wanneer andere factoren mede tot het faillissement hebben bijgedragen, zoals in dit geval de mededeling van de Deken aan de bank en de daarop volgende weigering van verdere kredietverlening, deze feiten in de weg staan aan de gevolgtrekking van het hof dat het initiële handelen (het vastgestelde misbruik van derdengelden en het onttrekken daarvan) een belangrijke oorzaak […]”
r.o. 2.9
“Waar de klacht is gebouwd op de veronderstelling dat het hof ook in rov. 2.2 het misbruik van derdengelden heeft beschouwd als een 'kennelijk onbehoorlijk bestuur' dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, berust het op een onjuiste lezing van de uitspraak. Blijkens rov. 2.1, 2.2 en 2.3 van het eindarrest, in onderling verband beschouwd, heeft het hof twee zelfstandige gronden voor aansprakelijkheid van [eiser] onderscheiden. Voor zover de klacht berust op de - juiste - veronderstelling dat in rov. 2.2 aan de orde is dat [eiser] (náást de onttrekkingen van gelden aan derdengeldenrekeningen) ook "aanzienlijke bedragen voor privédoeleinden aan LP heeft onttrokken", maar wil betogen dat die onttrekkingen niet een belangrijke oorzaak van het faillissement kunnen zijn geweest (omdat de oorzaak van het faillissement moet worden gezocht in het niet doorgaan van de toegezegde kredietverhoging, nadat de Deken aan de bank had medegedeeld dat derdengelden oneigenlijk waren aangewend), treft de klacht geen doel. Het hof is van oordeel dat voorzienbaar was dat het zonder grond onttrekken van gelden aan Legal Point, die steeds liquiditeitsproblemen heeft gehad, tot gevolg kon hebben dat het voortbestaan van deze vennootschappen in gevaar kwam. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. 2.17. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De […]”
r.o. 2.16