Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 februari 2014
Uittreding artikel 2:343 BW: peildatum aandelenwaardering en benoeming deskundige in hoger beroep
- Geschillenregeling
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na het ontslag van een aandeelhouder als bestuurder worden de twee andere aandeelhouders op de voet van artikel 2:343 BW veroordeeld haar aandelen over te nemen tegen een door een deskundige bepaalde prijs. In cassatie wordt geklaagd over de hernieuwde benoeming van de deskundige zonder overleg en over het negeren van waardeveranderingen na de overeengekomen peildatum. De A-G acht de klachten ongegrond: de peildatum is bij overeenkomst vastgelegd en het rechtsmiddelenverbod tegen de benoeming van een deskundige wordt niet doorbroken. Hij concludeert tot verwerping.
Kernoverwegingen
“Deze klacht wordt tevergeefs voorgesteld. De Ondernemingskamer heeft een deskundigenbericht gelast teneinde van de door de rechtbank benoemde deskundige een nader oordeel te verkrijgen over de toe te passen kleinschaligheidspremie (zie rov. 3.11 tussenarrest). De kwestie van de toe te passen kleinschaligheidspremie was in het in eerste aanleg uitgebrachte deskundigenrapport reeds aan de orde gekomen. Gezien de door [eiseres 1] en US 3 B.V. aangevoerde grieven bestond er naar oordeel van de Ondernemingskamer echter aanleiding om de deskundige op dit punt om een nadere aanvulling en toelichting te vragen (zie rov. 3.10, 3.11 en het dictum van het tussenarrest). De opdracht van de Ondernemingskamer is dan ook te beschouwen als het gebruik van de door art. 194 lid 5 Rv aan de rechter toegekende bevoegdheid om, op verzoek van een partij of ambtshalve, de deskundige te bevelen een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling te geven. Hieraan doet niet af dat de benoeming van de deskundige die in eerste aanleg had plaatsgevonden, geëindigd was, en de deskundige om die reden in hoger beroep opnieuw benoemd diende te worden. Anders dan het cassatiemiddel betoogt, kan dan ook niet gezegd worden dat de Ondernemingskamer op grond van art. 194 lid 2 Rv gehouden was om voorafgaand aan die benoeming, daarover overleg te plegen met partijen.”
r.o. 2.3
“Overigens stuit klacht 1(a) reeds af op het gegeven dat er tegen de benoeming van een deskundige geen hogere voorziening openstaat (art. 194 lid 2 Rv). Er blijkt niet van gronden voor doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod. Zo blijkt niet dat er een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Daarbij merk ik op dat [eiseres 1] en US 3 B.V. eventuele bezwaren tegen het zonder nader overleg wederom benoemen van de deskundige, ook reeds in de procedure in hoger beroep kenbaar hebben kunnen maken, bijvoorbeeld bij gelegenheid van memorie na deskundigenbericht. Niet blijkt dat [eiseres 1] en US 3 B.V. van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Verder brengt het enkele gegeven dat bepaalde partijen zich niet met de bevindingen van de deskundige kunnen verenigen, nog niet mee dat die deskundige niet langer als onpartijdig kan worden beschouwd. De Ondernemingskamer heeft de stelling van [eiseres 1] en US 3 B.V. dat de deskundige zich aan de zijde van [verweerster] zou hebben geschaard, in het eindarrest bovendien gemotiveerd verworpen (zie rov. 2.9 eindarrest). Dat laatste oordeel wordt door het cassatiemiddel ook niet bestreden, althans niet op voldoende duidelijke wijze.”
r.o. 2.4
“Klachten 2(c) t/m 2(f) zijn ongegrond. Vast staat dat partijen na het vonnis van de rechtbank van 29 juli 2009 overeengekomen zijn dat bij de waardering als peildatum 31 december 2008 dient te worden gehanteerd (zie rov. 2.2 en 2.3 tussenarrest, rov. 2.8 eindarrest; zie ook hierboven, onder 1.3). Naar oordeel van de Ondernemingskamer strookt daarmee niet dat bij de waardebepaling ook rekening wordt gehouden met omstandigheden van ná die overeengekomen peildatum, zoals de feitelijk gerealiseerde orders in 2009 en de veranderde (markt)omstandigheden vanaf 2009. De Ondernemingskamer heeft de door klachten 2(c) t/m 2(f) bedoelde stellingen van [eiseres 1] en US 3 B.V. in dat kader gemotiveerd verworpen (zie rov. 3.8 tussenarrest, rov. 2.8 eindarrest). Het oordeel van de Ondernemingskamer daaromtrent geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuiten klachten 2(c) t/m 2(f) alle af.”
r.o. 2.8