Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 juli 2014
Verjaring en stuiting bij persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder; royement bodemprocedure
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een verzekeraar stelt de bestuurder van een failliete agent persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad. Het hof honoreerde het verjaringsverweer. Volgens de A-G is de verjaringstermijn terecht in 1998 gaan lopen, maar heeft het hof de stuiting verkeerd beoordeeld. Een doorhaling op de rol is een administratieve maatregel, waardoor de stuiting van een eerder ingestelde eis voortduurt zolang partijen geen definitieve beëindiging beoogden. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“De rechtsklacht van middelonderdeel 1a dat het hof heeft miskend dat de korte verjaringstermijn pas een aanvang nam op het moment dat Allianz daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tegen [verweerder] in te stellen die voor toewijzing vatbaar was, strekt kennelijk ertoe te betogen dat het hof heeft miskend dat de rechtsvordering tot schadevergoeding van Allianz, berustend op de grondslag dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade die Allianz lijdt doordat GS onvoldoende verhaal biedt voor Allianz’ vordering op GS, tot de arbitrale vonnissen van 10 november 2008 en 27 maart 2009 niet toewijsbaar was omdat toen pas (voldoende) is komen vast te staan dat Allianz een vordering op GS had. Deze rechtsklacht moet tegen de achtergrond van de hiervoor opgenomen vooropstelling, falen. Ik licht dit toe. De voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW geldende maatstaf, het ‘daadwerkelijk in staat zijn de vordering in te stellen’, die door het hof ook tot uitgangspunt is genomen, brengt mee dat de benadeelde voldoende zekerheid moet hebben verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Anders dan in het middelonderdeel besloten lijkt te liggen, is niet vereist dat de benadeelde absolute zekerheid heeft verkregen. Evenmin is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische […]”
r.o. 15
“Art. 246 lid 1 Rv bepaalt dat de zaak op verlangen van partijen op de rol wordt doorgehaald. Het tweede lid bepaalt dat de enkele doorhaling op de rol geen rechtsgevolgen heeft en dat partijen de rechtsgevolgen bij overeenkomst kunnen bepalen. Doorhaling op de rol (royement) is derhalve een zuivere administratieve maatregel. Uitgangspunt is daarmee dat een procedure niet eindigt als gevolg van de doorhaling zelf. Het staat partijen echter vrij zodanig rechtsgevolg te bewerkstelligen. Zo kunnen zij een definitieve beëindiging van hun geschil overeenkomen en in verband daarmee te kennen geven dat zij doorhaling van de zaak op de rol verlangen. Dan eindigt de procedure door de overeenkomst van partijen. Zie Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Herz. Burg. Procesrecht, p. 415 en 419; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/161; Stein/Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2103, p. 128; Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 195. Onder het oude recht bestond geen wettelijke regeling van het royement. Wel werd doorhaling op de rol als administratieve maatregel in de praktijk veelvuldig toegepast en door de rechtspraak aanvaard. Zie: HR 14 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3637; de conclusie van A-G Bakels voor HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3818, NJ 2000/235, m.nt. P.A. Stein; Bosch-Boesjes, Voortijdige beëindiging van civiele procedures, 1998, par. 6.1.3; de conclusie van A-G Asser voor HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD7160, NJ 1988/775 en […]”
r.o. 24
“Nu doorhaling op de rol op zichzelf een louter administratieve maatregel is, loopt de stuitende werking van de in die procedure ingestelde eis gewoon door ingeval de procedure op de rol wordt doorgehaald. Dit is slechts anders indien komt vast te staan dat partijen ook een definitieve beëindiging van hun geschil hebben beoogd. Blijkt van zodanige bedoeling niet, dan duurt de stuitende werking van de ingestelde eis in beginsel voort totdat de procedure alsnog tot een einde komt. Zie ook G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 246 Rv, aant. 6 en voor een toepassing van de regel Rb. Amsterdam 28 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW1180, PRG 2012/191 en JONDR 2012/1024. Ik wijs in dit verband nog in het bijzonder op de opmerking van G. Snijders dat door een doorhaling die de procedure niet beëindigt, de verjaring dus voor onbepaalde tijd kan worden ‘geschorst’, in beginsel dus tot in het oneindige, welke consequentie volgens Snijders onder ogen is gezien door de wetgever gelet op de Nota naar aanleiding van het verslag (Parl. Gesch. Herz. Burg. Procesrecht, p. 419), maar klaarblijkelijk niet bezwaarlijk is gevonden. In bedoeld verslag wordt het volgende opgemerkt. “De vraag of «doorhaling op de rol» intern op de rechtbank wordt beschouwd en behandeld als het einde van de zaak, beantwoorden wij ontkennend. Volgens het in het kader van het pVRO tot stand gebrachte landelijk rolreglement wordt op de rechtbanken een lijst aangehouden van doorgehaalde (en geschorste) […]”
r.o. 26