Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 maart 2014
Cassatie tegen OK-beschikking: OK is bij enquêtemaatregelen geen bestuursorgaan
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure gaan de geschorste bestuurder, een belanghebbende en een stichting in cassatie tegen de beschikking waarbij de OK een onderzoeker benoemde. Zij stellen dat de OK daarbij als bestuursorgaan een Awb-besluit neemt. De A-G concludeert tot niet-ontvankelijkheid wegens ontbrekende ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad en niet betaald griffierecht, en overweegt dat de OK bij toepassing van de artikelen 2:345 en 2:349a BW als rechterlijk orgaan geen bestuursorgaan is.
Kernoverweging
“De veronderstelling van verzoekers dat de Ondernemingskamer een ‘bestuursorgaan’ in de zin van art. 1 Awb is, wanneer zij op de voet van art. 2:345 BW een onderzoeker benoemt dan wel op de voet van art. 2:349a BW een onmiddellijke voorziening treft, is niet juist. Op grond van art. 1:1 lid 2 Awb worden onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast − waartoe de Ondernemingskamer behoort (zie art. 66 RO) − niet aangemerkt als ‘bestuursorgaan’ in de zin van deze wet . De klachten kunnen om deze reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden (art. 80a lid 1 RO). Om dezelfde reden behoeft het verzoekschrift niet als een bestuursrechtelijk bezwaar- of beroepschrift te worden doorgezonden (art. 70 Rv), zoals verzoekers subsidiair hebben voorgesteld. 7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. - g. ECLI:NL:GHAMS:2013:2333. Onder verwijzing naar een schriftelijke volmacht d.d. 3 december 2012. Te weten: het niet (tijdig) beslissen op een tegenverzoek van [verzoekster 1], [verzoeker 2] en de Stichting zoals omschreven op blz. 2 van het cassatierekest; het niet opnemen van een rechtsmiddelverwijzing in de beschikking van 18 juli 2013; het niet laten instellen van een onderzoek in het kader van openbaar belang, zoals door verzoeker aan het hof verzocht (zie blz. 3 van het cassatierekest). Van 18 oktober en 23 november 2013, resp. 6, 11 en 30 januari […]”
r.o. 6