← Week 14

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 april 2014

Enquête: positie onderzoeker, gespreksverslagen en geluidsopnames van interviews

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure vroeg de bestuurder van de onderzochte vennootschap om kopieën van geluidsopnames van interviews en om aanpassing van de interviewverslagen aan alle opmerkingen van de geïnterviewden. De A-G concludeert dat de onderzoeker in beginsel vrij is in de inrichting van het onderzoek en dat de wet geen verplichting kent om opnames te verstrekken of alle opmerkingen over te nemen. Voorleggen van conceptverslagen en zichtbaar maken van wijzigingen voldoet aan hoor en wederhoor. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel faalt. Daargelaten dat nadere regels kunnen worden gesteld en in de praktijk ook worden gesteld aan de wijze waarop de onderzoeker het onderzoek uitvoert (zie onder meer de Aandachtspunten van de ondernemingskamer) geeft het oordeel van de ondernemingskamer dat de onderzoeker in beginsel vrij is in de inrichting en uitvoering van het hem opgedragen onderzoek, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is de onderzoeker te vergelijken met een deskundige voor wie hetzelfde geldt. Zoals ook blijkt uit de hierna volgende bespreking van onderdeel 2, heeft de onderzoeker m.i. daarbij – in het licht van de opvattingen daarover bij de wetgever, de literatuur en de aanbevelingen van de ondernemingskamer – geen (wettelijke) beginselen van behoorlijk onderzoek geschonden.”

r.o. 3.33

“Het horen op de voet van art. 2:351 lid 1 BW van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de vennootschap is niet hetzelfde als het horen van een getuige zoals geregeld in Rv. Anders dan bij een getuigenverhoor waarbij van de getuigenverklaring op de voet van art. 180 Rv. een proces-verbaal wordt opgemaakt, is er dan ook geen op de wet gebaseerde verplichting voor de onderzoeker om van het horen van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers een gespreksverslag op te stellen. De bepaling van art. 180 lid 2 Rv. is dan ook niet op het gespreksverslag van toepassing. Met Hepkema meen ik dat een interviewverslag daarnaast ook een andere functie heeft dan een proces-verbaal van getuigenverhoor, nu het vooral een hulpmiddel is voor de onderzoeker bij het opstellen van het onderzoeksverslag, en bovendien de vertrouwelijkheid van de gesprekken moet worden gewaarborgd .”

r.o. 3.39

“In de memorie van toelichting op de wijziging van het enquêterecht is het nieuwe vierde lid van art. 2:351 BW dat bepaalt dat de onderzoekers degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd in de gelegenheid moet stellen om kennis te nemen van wezenlijke bevindingen in het (ontwerp)verslag die op die personen betrekking hebben, verduidelijkt met de opmerking dat de onderzoekers niet verplicht zijn om eventuele opmerkingen van de betrokken personen ten aanzien van de bevindingen over te nemen en het verslag aan te passen, omdat de onderzoekers de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het oordeel over de feiten en omstandigheden behouden. Als de onderzoeker al niet verplicht is om opmerkingen over onderzoeksverslag over te nemen, geldt dit m.i. temeer met betrekking tot het gespreksverslag.”

r.o. 3.40

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:287
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
4 april 2014
Datum publicatie
13 juni 2014
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:350 BW, 2:351 BW, 2:352 BW, 2:352a BW, 2:353 BW, 2:355 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 14 van 2014

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.