← Week 15

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 april 2014

Maatstaf onmiddellijke voorzieningen artikel 2:349a BW na bevolen enquête, vóór benoeming onderzoeker

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bestuurder en 50%-aandeelhouder komt in cassatie tegen haar schorsing als bestuurder via onmiddellijke voorzieningen van de OK, nadat een enquête was bevolen maar nog geen onderzoeker was benoemd. De A-G oordeelt dat in die situatie geen extra eis van zwaarwegende redenen geldt, maar dat noodzaak en een billijke belangenafweging volstaan (artikel 2:349a BW). De OK heeft die maatstaf toegepast en voldoende gemotiveerd. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Uitgangspunt is, aldus de Hoge Raad, dat de ondernemingskamer op grond van art. 2:349a BW de vrijheid heeft zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon, en dat aan het treffen van zodanige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. Dit brengt mee dat de ondernemingskamer iedere voorziening van voorlopige aard mag treffen mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken. Het laatste is met name ook het geval als naar het oordeel van de ondernemingskamer een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn.”

r.o. 2.7

“Zoals uit de hiervoor genoemde vaste rechtspraak blijkt, dient de ondernemingskamer bij het besluit om onmiddellijke voorzieningen te treffen voldoende rekening te houden met de belangen van de betrokken partijen en een billijke afweging van deze belangen te maken. Dit vereiste is per 1 januari 2013 gecodificeerd in het eerste gedeelte van het tweede lid van art. 2:349a BW. Het huidige artikellid maakt duidelijk dat het moet gaan om een afweging van “de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Tijdens de parlementaire behandeling is verduidelijkt welke belangen van de rechtspersoon en de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken belangen in de belangenafweging betrokken moeten worden:

“De Ondernemingskamer moet zich ervan vergewissen dat eventuele onmiddellijke voorzieningen voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, rekening houdend met de belangen van zowel de rechtspersoon als degenen die krachtens de wet en de statuten zijn betrokken bij zijn organisatie. Er moet dus een afweging van belangen plaatsvinden. Het gaat dan om de belangen van de rechtspersoon ten opzichte van de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken partijen. Voor wat betreft de belangen van de rechtspersoon moet worden gedacht aan de verschillende belangen die in een rechtspersoon zijn verenigd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met relevante externe belangen, zoals die van werknemers. Voor wat betreft [de] […]”

r.o. 2.11

“Per 1 januari 2013 is een nieuw derde lid aan art. 2:349a BW toegevoegd, waarin de maatstaf voor het treffen van een voorziening is opgenomen indien nog geen onderzoek is gelast, te weten of er naar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. In de parlementaire geschiedenis is uitdrukkelijk opgemerkt dat niet aan het criterium van art. 2:349a BW behoeft te worden getoetst in de situatie – zoals in de onderhavige zaak – dat het enquêteverzoek wel inhoudelijk is behandeld (inclusief het debat ter terechtzitting), maar de ondernemingskamer wacht met de benoeming van een onderzoeker. In dat geval is er immers al een “eindoordeel” geveld over die gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.”

r.o. 2.13

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:293
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
11 april 2014
Datum publicatie
11 juli 2014
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:349a BW, 2:345 BW, 2:356 BW, 2:8 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 15 van 2014

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.