← Week 12

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 maart 2014

Persoonlijke aansprakelijkheid indirect bestuurder voor betalingen aan moedervennootschap voor faillissement dochter

  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een curator spreekt de enig (indirect) bestuurder van een gefailleerde dochtervennootschap persoonlijk aan voor substantiële betalingen aan de moedervennootschap kort voor het faillissement. Het hof wees de vordering grotendeels toe. De A-G concludeert tot vernietiging, omdat het hof niet heeft geoordeeld over de wetenschap van de bestuurder van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers en het oordeel over verrekening onbegrijpelijk is.

Kernoverwegingen

“In het dictum van het bestreden arrest is voor recht verklaard dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en is [eiser] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. De overwegingen van het hof hebben betrekking op (gedragingen van) [eiser]. Het hof spreekt m.i. ook terecht van het bevorderen door [eiser] van betalingen door Bouwbedrijf aan Beheer (zie de eerste zinsnede van rov. 14). Het is dit bevorderen door [eiser] dat het hof in zijn bestreden arrest beoordeelt. Het arrest biedt dan ook geen grond voor de veronderstelling dat het hof bedoeld heeft te overwegen of te oordelen dat alleen Bouwbedrijf onrechtmatig heeft gehandeld. In zoverre faalt het subonderdeel.”

r.o. 2.7

“In rov. 15 heeft het hof geoordeeld dat [eiser] als (indirect) bestuurder wist of behoorde te weten dat een ernstig risico van insolventie van Bouwbedrijf bestond en het [eiser] daarom kan worden toegerekend dat hij de betalingen van Bouwbedrijf aan Beheer heeft bevorderd. Het hof kwam tot dit oordeel op grond van de volgende, door de curator gestelde en volgens het hof door [eiser] niet genoegzaam gemotiveerd bestreden omstandigheden:

(a) voorafgaand aan en ten tijde van de gewraakte betalingen was er sprake van een aanmerkelijk negatief vermogen van Bouwbedrijf;

(b) crediteuren bleven (goeddeels) onbetaald;

(c) aan de fiscus waren verschillende meldingen gedaan ter zake van betalingsonmacht met betrekking tot omzet- en loonbelasting;

(d) door de fiscus is beslagleggend opgetreden; en

(e) de raadsman van [eiser] heeft gesteld dat het tijde van de gewraakte betalingen het al meer dan een half jaar slecht ging met Bouwbedrijf.

Uit dit geheel van omstandigheden blijkt m.i. dat [eiser] redelijkerwijs moet hebben geweten dat er op het moment van de betalingen ernstig risico van insolventie was.”

r.o. 2.9

“Het hof heeft deze vaststelling gemaakt in verband met zijn tussenarrest van 9 januari 2010 (zie de bewijsopdracht onder a). Aan de daar gegeven bewijsopdracht heeft de curator dus voldaan. Ik vind dat -uitgaande van de door het hof opgesomde omstandigheden- begrijpelijk. In dat tussenarrest kreeg de curator nog een tweede bewijsopdracht. Hij diende te bewijzen dat Beheer met de - wat het hof noemt - gewraakte betalingen een gunstiger behandeling heeft gekregen dan de andere schuldeisers van Bouwbedrijf. In het eindarrest stelt het hof in rov. 14 vast:

“In deze feiten ligt reeds besloten, en overigens is niet gemotiveerd bestreden, dat Beheer dientengevolge een gunstiger behandeling heeft gekregen dan de overige schuldeisers van Bouwbedrijf”.

Hiermee is het hof kennelijk van oordeel dat aan de tweede bewijsopdracht is voldaan. Ook dit vind ik begrijpelijk. Is het voldoen aan deze beide bewijsopdrachten voldoende om het handelen van [eiser] jegens de gezamenlijke crediteuren onrechtmatig te achten? Hiervoor moet [eiser] m.i. ook wetenschap van daadwerkelijke benadeling van die crediteuren van Bouwbedrijf hebben gehad. Het probleem van het bestreden arrest van het hof is m.i. dat daarin niets te vinden is over die wetenschap van [eiser]. Daarover had het hof m.i. wel moeten oordelen, wil het handelen van [eiser] als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd. Ik heb nog onderzocht of een dergelijk oordeel ook niet impliciet uit het bestreden arrest van het hof kan worden […]”

r.o. 2.10

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:332
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
21 maart 2014
Datum publicatie
23 mei 2014
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 6:7 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 12 van 2014

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.