← Week 19

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 mei 2014

Inkoopverplichting eigen aandelen nv: statutaire grondslag niet vereist (artikel 2:98 BW)

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Beleggers in preferente aandelen van een nv stelden dat de vennootschap verplicht was de aandelen terug te kopen. De A-G concludeert dat een inkoopverplichting niet in beginsel uit de statuten hoeft te blijken, gelet op de wettelijke regeling van artikel 2:98 BW. Omdat het hof de juiste maatstaf toepaste en de statuten, de ontbrekende machtiging en het verbod op koersgarantie een verplichting uitsluiten, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Dit betoog van onderdeel I.a is juist in zoverre dat er inderdaad geen grond bestaat om in algemene zin aan te nemen dat een verplichting van een vennootschap om over te gaan tot inkoop van aandelen, in beginsel uit de statuten van de vennootschap dient te blijken. De wetgever heeft met art. 2:98 t/m 2:98b BW voorzien in een wettelijke regeling omtrent de verkrijging van eigen aandelen. Op grond van art. 2:98 BW is voor verkrijging van volgestorte eigen aandelen onder meer vereist – kort gezegd – dat die verkrijging gezien de statuten mogelijk is en dat de algemene vergadering van aandeelhouders het bestuur tot die verkrijging heeft gemachtigd. De machtiging zou hiervoor ten hoogste achttien maanden gelden, en zou bovendien moeten bepalen hoeveel aandelen mogen worden verkregen, hoe de aandelen mogen worden verkregen en tussen welke grenzen de prijs moet liggen. Er is geen reden om, naast onder meer deze regeling van art. 2:98 e.v. BW, als algemene rechtsregel te hanteren dat een verplichting om over te gaan tot inkoop van aandelen in beginsel uit de statuten van de vennootschap dient te blijken. Ik merk nog op dat aan een aantal wettelijke Boek 2 BW-bepalingen weliswaar het beginsel van openbaarheid van inrichting van de nv ten grondslag ligt (zie bij voorbeeld de regeling van het voorkeursrecht voor aandeelhouders in art. 2: 96a/206a BW die dwingt tot tenminste een regeling in de statuten), maar dit beginsel heeft m.i. niet zo’n dwingende kracht dat het ook geldt zonder […]”

r.o. 2.4

“Vast staat dat de gestelde terugkoopverplichting niet in de statuten staat vermeld. In de statuten is wel de onder 2.5 weergegeven mogelijkheid van conversie en vervolgens intrekking van de preferente aandelen opgenomen. De bewoordingen van de statuten bieden geen enkel aanknopingspunt voor een interpretatie die met zich meebrengt dat op Unilever een terugkoopverplichting rustte. Reeds daarom kunnen de statuten niet in de door [eiser 2] en Clay Hill bepleite zin worden uitgelegd.”

r.o. 2.12

“Volgens onderdeel V.1 is deze laatste overweging (in rov. 2.17) rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Deze klachten zijn echter ongegrond. Het hof wijst er in rov. 2.17 op dat het bestuur van Unilever ingevolge art. 2:98 lid 4 BW voor de terugkoop van de preferente aandelen (in elk geval) een machtiging behoefde van de algemene vergadering van aandeelhouders, en dat uit de aan de orde zijnde teksten niets van een dergelijke machtiging blijkt (en dat die machtiging ook nooit is verleend). Naar oordeel van het hof biedt dit gegeven steun aan het daarvoor (in rov. 2.16) reeds gegeven oordeel dat de betrokkenen uit de statuten en uit die teksten redelijkerwijs niet hebben kunnen afleiden dat Unilever zich tot terugkoop wilde verbinden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”

r.o. 2.25

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:421
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
9 mei 2014
Datum publicatie
11 juli 2014
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:98 BW, 2:98b BW, 2:98c BW, 2:14 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 19 van 2014

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.