Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 februari 2014
403-verklaring: geen voorrecht bij vordering op moedermaatschappij
- Overig Boek 2
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een uitkeringsinstantie claimt in het faillissement van een moedermaatschappij een voorrecht voor een vordering die is gebaseerd op een aansprakelijkheidsverklaring van de moeder voor schulden van de dochter (artikel 2:403 BW). De A-G concludeert dat voorrechten alleen uit de wet voortvloeien en dat de 403-verklaring niet meebrengt dat het voorrecht op de dochter ook doorwerkt naar de moeder. Ook richtlijnconforme uitleg leidt volgens de A-G niet tot een ander oordeel. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De klachten van onderdeel 1 kunnen niet slagen. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (vgl. art. 3:278 lid 2 BW) (zie rov. 4.3). Het daarop aansluitende oordeel van de rechtbank (in rov. 4.3 t/m 4.5) dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat het UWV in het faillissement van Econcern aanspraak kan maken op een voorrecht, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
r.o. 2.5
“Ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel geen klachten richt tegen de vaststelling van de rechtbank dat Econcern in dezen niet kan worden aangemerkt als de werkgever als bedoeld in art. 3:288 sub e BW (zie rov. 4.3). Verder merk ik op dat een 403-verklaring als zodanig niet meebrengt dat een werknemer die op de voet van art. 3:288 aanhef en sub e BW een bevoorrechte vordering heeft op de dochtermaatschappij, bij een op een 403-verklaring gebaseerde vordering op de moedermaatschappij eveneens bevoorrecht is (zie in dit verband mijn conclusie van heden in de parallelle cassatieprocedure met rolnummer 13/02589).
Onderdeel 2”
r.o. 2.6
“De klachten van onderdeel 2 zijn ongegrond. De rechtbank heeft aangenomen dat de strekking van art. 2:403 BW niet meebrengt dat crediteuren die een bevoorrechte vordering hebben op de dochtermaatschappij, tevens aanspraak kunnen maken op een voorrecht bij de op de 403-verklaring gebaseerde vordering jegens de moedermaatschappij. Dat rechtsoordeel is mijns inziens juist (zie voor een nadere bespreking mijn conclusie van heden in de parallelle procedure met rolnummer 13/02589). Het genoemde rechtsoordeel kan ook niet met vrucht met motiveringsklachten worden bestreden. Reeds om deze redenen kunnen de klachten van onderdeel 2 niet slagen.
Onderdeel 3”
r.o. 2.8