← Week 33

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 augustus 2015

Cassatie enquête: wanbeleid door blokkade van financiering door aandeelhouder en eisen aan onderzoek

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure had de OK wanbeleid vastgesteld wegens een impasse in de besluitvorming over financiering, waarvoor zowel het bestuur als een aandeelhouder met een blokkerende stem verantwoordelijk werd gehouden. In cassatie klaagt de aandeelhouder onder meer over de afwijzing van nader onderzoek en over de maatstaf voor wanbeleid. De A-G concludeert dat de OK in redelijkheid kon oordelen dat de kosten van nader onderzoek niet opwegen tegen het nut en dat haar oordeel over wanbeleid en verantwoordelijkheid standhoudt. Hij concludeert tot verwerping.

Kernoverwegingen

“De klachten van onderdelen I.A, I.A.1 en I.A.2 treffen geen doel. De Ondernemingskamer heeft (onder meer) in rov. 3.8 t/m 3.12 op de door deze onderdelen aangeduide bezwaren van [verzoeker] gereageerd (vgl. ook rov. 3.3). De Ondernemingskamer heeft daarbij overwogen dat zij onderkent dat de beperkte reikwijdte en diepgang van het onderzoek, grenzen stelt aan de beoordeling van het beleid en de gang van zaken binnen Harbour. Het onderzoeksverslag en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is naar oordeel van de Ondernemingskamer evenwel voldoende basis voor het gegeven oordeel over de verzoeken tot vaststelling van wanbeleid en tot het treffen van voorzieningen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is als zodanig ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (vgl. onder meer HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6078, NJ 2010/483, rov. 3.4.2, 3.5.2). De klachten dat de Ondernemingskamer haar oordeel op dit punt nog nader had dienen te motiveren, zijn ongegrond; dit geldt ook indien daarbij in aanmerking genomen wordt hetgeen naar voren wordt gebracht in de betogen van onderdelen I.A, I.A.1 en I.A.2 en in de passages uit het cassatiemiddel waar deze onderdelen naar verwijzen. De genoemde onderdelen onderkennen overigens onvoldoende dat de motiveringsplicht van de rechter niet onbegrensd is.”

r.o. 3.7

“Inmiddels zijn, met instemming van [verzoeker] , de verhoudingen binnen Harbour gesaneerd; door de toetreding van Atlas is voorzien in de benodigde financiering, er is overeenstemming bereikt over een nieuw businessplan, er is een professionele niet-uitvoerende bestuurder aangetrokken en geen van de aandeelhouders heeft nog een blokkerende stem (zie 2.25). Weliswaar resteert nog een geschil tussen [verzoeker] als (mede-)licentiegever en Harbour als licentienemer, maar dit geschil valt buiten het bereik van de onderhavige procedure en is door [verzoeker] inmiddels bij de gewone burgerlijke rechter aanhangig gemaakt.”

r.o. 3.11

“De klachten van onderdeel II.A (II.A.1 t/m II.A.5) zijn tevergeefs. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het onderzoeksverslag en de stellingen van partijen geen toereikende gronden bieden voor de vaststelling dat in de periode vóór 25 mei 2012 – de datum waarop de impasse in de besluitvorming ontstond – sprake was van wanbeleid. Naar oordeel van de Ondernemingskamer hebben de feiten en omstandigheden die zich voordeden in de periode vóór 25 mei 2012, zoals in rov. 3.16 t/m 3.17.8 nader aan de orde komt, wel bijgedragen aan het ontstaan van de impasse. Deze feiten en omstandigheden maakten een impasse echter niet onvermijdelijk en zijn zij op zichzelf ook van onvoldoende gewicht om als wanbeleid aan te merken, aldus de Ondernemingskamer (zie rov. 3.15). Voor wat betreft de in de periode van 25 mei 2012 tot 18 oktober 2012 bestaande impasse in de besluitvorming over de financiering, is er naar oordeel van de Ondernemingskamer wél sprake van wanbeleid, en wel wanbeleid van Harbour waarvoor het bestuur van Harbour alsmede [verzoeker] verantwoordelijk zijn (zie rov. 3.13 t/m 3.18). Dit oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, ook in het licht van de stellingen en betogen van het onderdeel, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dat laatste geldt ook indien in aanmerking wordt genomen dat de Ondernemingskamer het verzoek van [verzoeker] tot het gelasten van een nader onderzoek heeft afgewezen omdat de kosten en overige lasten van […]”

r.o. 3.18

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:1690
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
14 augustus 2015
Datum publicatie
20 november 2015
Spoor
Boek 2 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 33 van 2015

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.