← Week 11

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 maart 2015

Statutaire uittreedvergoeding coöperatie: kenbaarheid en bepaalbaarheid onder artikel 2:60 BW

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om een statutaire bepaling in een coöperatie waarbij uittredende leden een schadevergoeding van maximaal vier procent van hun gemiddelde jaarlijkse melkgeld moeten betalen. De A-G beoordeelt of artikel 2:60 BW eist dat zo'n uittreedregeling integraal en concreet in de statuten staat, of dat een statutair maximum, de aard van de verplichting en een door het bestuur aan te wijzen deskundige volstaan. Hij concludeert dat de regeling voldoende kenbaar en bepaalbaar is en dat ook de klachten over statutenuitleg en schadebegroting falen. Hij concludeert tot verwerping van het principaal en het incidenteel cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Keren wij terug naar de klachten. Dat art. 2:60 BW vereist dat uittreedvoorwaarden statutair verankerd zijn, is duidelijk. Minder duidelijk is hoe concreet dat moet, of dat betekent integraal in de statuten of niet.”

r.o. 2.1.19

“Daar staat een meer materiële benadering tegenover die hier niet een strikte caesuur aanbrengt tussen de verenigingsrechtelijke en coöperatieregimes – zeker nu ongewis blijft uit de parlementaire geschiedenis waarom “bij de statuten” is ingevoegd ten opzichte van de oude wetsbepaling uit de coöperatiewet van 1925, waarin deze eis niet was gesteld en waar je dus eerder bij het “soepeler” algemene verenigingsrechtelijke regime kon aansluiten; dat geldt te meer als je bedenkt dat ontwerper Meijers dacht één op één aan te sluiten bij die oude wetsbepaling. Voldoende is in die benadering een statutaire grondslag, waaruit de leden kunnen opmaken waar ze zich aan binden en waaruit zij een helder beeld krijgen wat de eventuele consequenties zijn van een opzegging op een kortere termijn dan de dwingendrechtelijke maximaal toegestane opzegtermijn. Beslissend is dan dat art. 13 van de statuten duidelijk maakt dat deze consequentie betaling van schadevergoeding is tot maximaal 4% van de gemiddelde jaarlijkse melkprijs, waarbij statutair ook het mechanisme wordt aangegeven hoe die uittreedvergoeding wordt gekwantificeerd, namelijk door een door de directie aan te wijzen deskundige. Dat is de benadering van het hof, die met uitleg van de statuten hiertoe komt en daar valt mijns inziens veel voor te zeggen. Zo ook de hiervoor in 2.1.14 genoemde “wenk”-schrijver over precies deze hofbenadering in onze zaak. In hoofdzaak is voldoende duidelijk waar men aan toe was. Ik zie geen duidelijke […]”

r.o. 2.1.22

“In de door mij voorgestane benadering is van minder belang dat de statuten ook bepalen dat de deskundige de hoogte van de vergoeding vaststelt met inachtneming van de grondslagen die in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgelegd. We weten dat die vastlegging (destijds) nog niet was gebeurd, maar ik acht dat, met het hof, niet dodelijk in dit geval. Als verwijzing naar nadere uitwerking van grondslagen in het huishoudelijk reglement de enige statutaire duiding van de omvang van de uittreedverplichting zou zijn, zou dat anders liggen (een uittreedvoorwaarde in een huishoudelijk reglement zonder statutaire basis en zonder enige vermelding van de gehanteerde maatstaf is nietig), maar door het statutair aangegeven maximum van 4% van de gemiddelde jaarlijkse melkprijs is de omvang van de uiterste uittreedconsequentie volkomen helder. Zeker nu ook nog in art. 13 van de statuten is verwoord dat een uittredend lid de schade dient te vergoeden die DOC leidt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap (lees: tot het aangegeven maximum van 4%). De aard van de verplichting staat dus ook voldoende kenbaar in de statuten. Deze statutaire bepaling geeft de mogelijkheid van flexibel en deskundig maatwerk binnen de statutaire kaders van het 4%-maximum. Dat de statuten voor de berekening van de ontstane schade een door het bestuur in te schakelen deskundige voorschrijven, is gelet op de complexiteit van deze schadebegroting niet vreemd. Binnen de coöperatie zal de voor […]”

r.o. 2.1.23

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:229
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 maart 2015
Datum publicatie
12 juni 2015
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:60 BW, 2:27 BW, 2:34a BW, 2:53a BW, 2:36 BW, 2:14 BW, 6:100 BW, 6:101 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 11 van 2015

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.