← Week 47

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 november 2015

Artikel 2:248 BW: te late jaarrekening en weerlegging causaliteitsvermoeden

  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om de aansprakelijkheid van een bestuurder voor het boedeltekort van een failliete BV op grond van artikel 2:248 BW, wegens een te laat openbaargemaakte jaarrekening. De A-G acht het oordeel van het hof over het ontbreken van een onbelangrijk verzuim juist, maar de motivering van het oordeel dat het causaliteitsvermoeden niet is weerlegd ontoereikend. Volgens de A-G is daarvoor een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling vereist, wat het hof onvoldoende heeft toegelicht. Hij concludeert tot vernietiging.

Kernoverwegingen

“Het er aan verbonden gevolg doet van belang zijn wat onder een ‘onbelangrijk verzuim’ is te verstaan. In zijn Verify-arrest van 1 november 2013 overweegt de Hoge Raad daarover in rov. 3.6.2 het volgende: “Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECL:NL:HR:2013:BZ7189).” ( )”

r.o. 2.4.1

“Zoals blijkt uit het hiervoor in 2.5 vermelde citaat, overweegt de Hoge Raad in het Blue Tomato-arrest dat, indien de bestuurder door de curator wordt verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van de door hem gestelde andere oorzaak te voorkomen, dan de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden zal moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Hierboven is in 2.3 al opgemerkt dat vanwege het verband dat tussen de leden 1 en 2 van artikel 2:248 BW bestaat mag worden aangenomen dat ook in lid 2 van artikel 2:248 BW een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt bedoeld. Dit betekent dat de bestuurder aan de zojuist genoemde stel- en bewijsplicht ook voldoet indien uit de door hem aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden betreffende het nalaten wel van een onzorgvuldige vervulling van de bestuurstaak blijkt maar niet van een kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak.()”

r.o. 2.5.2

“Die klachten komen gegrond voor. Zoals hierboven in 2.2 vermeld, is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling pas sprake in geval van een handelen waartoe een redelijk handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden niet zou zijn overgegaan. Dit brengt mee dat van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling pas kan worden gesproken bij een tekortschieten van een bestuurder in de vervulling van zijn bestuurstaak en dat bovendien in een vrij ernstige mate. Met het feit dat [eiser] zicht had, althans kon hebben, op de financiële positie van [C] B.V., is niet reeds gegeven dat [eiser] een verwijt, laat staan een vrij ernstig verwijt is te maken met betrekking tot het veroorzaakt zijn van het faillissement van [A] door een teruglopen van de omzet bij [C] B.V. Dat dat wel het geval is, had het hof nader moeten toelichten gelet op de door [eiser] in de §§ 31 en 32 vermelde stellingen, waarvan het hof niet de onjuistheid heeft vastgesteld. Het betreft in het bijzonder de stellingen dat er in 2007 geen reden was om aan te nemen dat [C] B.V. haar aandeel in de kosten in dat jaar of in 2008 niet zou kunnen betalen, dat [betrokkene] niet zelf kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn aandeel in de kosten niet zou kunnen gaan betalen, dat [eiser] wel al vóór augustus/september 2008 geregeld de urenstaten en daarmee het onderhanden werk van [betrokkene] in de gaten hield en geregeld hem op zijn werkhouding heeft aangesproken maar dat hij overigens geen zeggenschap had over het doen en laten van […]”

r.o. 2.13

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:2290
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
20 november 2015
Datum publicatie
12 februari 2016
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:138 BW, 2:10 BW, 2:394 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarrekening
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 47 van 2015

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.