Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 november 2015
Curatorenverzet tegen faillissement lege vennootschap en turboliquidatie als alternatief
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator stelt verzet in tegen het faillissement van een vennootschap zonder baten dat op eigen aangifte is uitgesproken. De prejudiciële vraag is of de curator belanghebbende is in de zin van artikel 10 Fw. De A-G meent van wel en acht gegrondverklaring van het verzet bij een voldoende grondig onderzoek mogelijk. Hij betoogt daarbij dat ontbinding zonder vereffening op grond van artikel 2:19 lid 4 BW (turboliquidatie) ook mogelijk is als de vennootschap schulden heeft.
Kernoverwegingen
“Er wordt verschillend gedacht over hoe deze wetsbepalingen moeten worden begrepen ingeval er geen baten maar wel schulden zijn. In de hiervoor genoemde rechtspraak waarin misbruik van bevoegdheid is aangenomen, wordt art. 2:19 lid 4 BW strikt uitgelegd: als er op het tijdstip van de ontbinding geen baten zijn houdt de vennootschap op te bestaan, ongeacht of er schulden zijn. In deze gedachtegang wordt aan art. 2:23a lid 4 BW niet toegekomen, omdat er van vereffening geen sprake is.”
r.o. 3.32
“Toch ga ik er vanuit dat turboliquidatie niet is uitgesloten ingeval er nog schulden zijn. Dit lijkt ook de heersende opvatting te zijn. Art. 2:19 lid 4 BW stelt zonder meer dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan als er op het tijdstip van de ontbinding geen baten zijn. “Alsdan zal men aan een vereffening niet toekomen”, zegt de Memorie van Toelichting. Ik zie geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever gewenst heeft dat op deze regel een uitzondering geldt ingeval de ontbonden vennootschap nog schulden heeft. In dat geval had het voor de hand gelegen dat deze – toch niet zeldzaam voorkomende – uitzondering expliciet zou zijn benoemd.”
r.o. 3.35
“Ik wijs er verder op dat, volgens de wetsgeschiedenis, de wettelijke vereffeningsprocedure in beginsel is bedoeld voor gevallen waarbij er voldoende baten aanwezig zijn om alle schuldeisers te voldoen: als er baten zijn, maar de schulden overtreffen die, dan vraagt de vereffenaar het faillissement aan, omdat volgens de wetgever een afwikkeling volgens de Faillissementswet dan meer op zijn plaats is. Omdat, ingeval er geen baten zijn, aan de vereffeningsprocedure in beginsel niet wordt toegekomen, komt art. 2:23a lid 4 BW niet in beeld. Ik denk daarom dat de turboliquidatie niet een “schijnalternatief” is, zoals Renssen stelt.”
r.o. 3.36