Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 januari 2015
Persoonlijke aansprakelijkheid indirect bestuurders bij verkoop bosgrond; artikel 2:11 BW en Hezemans Air
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een vennootschap verkocht bosgrond zonder de kopers te informeren over geldende natuurbeschermingsregels. De vraag is of de natuurlijke personen die indirect bestuurder zijn, persoonlijk aansprakelijk zijn. De A-G leest het oordeel van het hof zo dat zij aansprakelijk zijn voor eigen onrechtmatig handelen bij het verkoopproces, zodat de strengere maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid niet geldt. Hij concludeert dat het hof alleen ten aanzien van één koper buiten de rechtsstrijd is getreden.
Kernoverwegingen
“[eisers] zijn via de andere vennootschappen indirect bestuurders van [A]. Het middel wijst in dit verband op artikel 2:11 BW. Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Via deze bepaling zijn ook alle indirecte bestuurders, waaronder uiteindelijk de natuurlijke personen die bestuurders zijn, aansprakelijk. In de literatuur bestaat verschil van mening of het materiële toepassingsbereik van deze bepaling niet alleen de in Boek 2 BW bedoelde vormen van bestuurdersaansprakelijkheid omvat, maar ook de aansprakelijkheid op basis van art. 6:162 BW. In HR 23 mei 2014 (K/Maas qq) is, voor het geval dat in die zaak aan de orde was (een Peeters/Gatzen-vordering tegen een indirect bestuurder), geoordeeld dat bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag van de indirect bestuurder aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaven zoals vermeld in HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 , NJ 2006/659 (Ontvanger/[…]):
“3.3.3 In het onderhavige geval vordert de curator schadevergoeding wegens onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) op de grond dat [de indirect bestuurder] heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap (Bouwbedrijf), door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering (vgl. HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, NJ […]”
r.o. 3.4
“Met zijn overweging in rov. 16 dat [eisers] “feitelijk handelden namens [A]”, verwijst het hof (slechts) naar het gegeven dat in het traject dat leidde tot de overeenkomsten (de bezichtigingen en de verkoopgesprekken) het [eisers] waren die feitelijk namens [A] deze contacten met geïntimeerden onderhielden. Met zijn oordeel in rov. 16, dat [eisers] naast [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn nu zij feitelijk handelden namens [A], brengt het hof mijns inziens tot uitdrukking dat [eisers] op dezelfde wijze onrechtmatig hebben gehandeld als [A] heeft gedaan. De tot hen persoonlijke gerichte norm die [eisers] volgens het hof hebben overtreden, is de bij 3.8 beschreven norm die zich ook tot [A] richtte. Het hof geeft dus een oordeel ten aanzien van de grondslag dat [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld in verband met hun rol in het verkoopproces en niet ten aanzien van de grondslag bestuurdersaansprakelijkheid.”
r.o. 3.9.2
“Deze lezing van rov. 16 vindt bevestiging in rov. 17. Ten eerste spreekt het hof in rov. 17 nevenschikkend van “het onrechtmatig handelen van [A] en [eisers]”. Ten tweede onderzoekt het hof in rov. 17 of er reden is het onrechtmatig handelen van [A] en [eisers] toe te rekenen aan de andere vennootschappen (wat overigens niet het geval is, volgens het hof). Dit betreft – voor zover het gaat om [eisers] − de kwestie van de eventuele toerekening in de zin van HR 6 april 1979 (Kleuterschool Babbel) van het gedrag van de betrokkene aan de vennootschap in het verlengde van de persoonlijke aansprakelijkheid van de betrokkene (zie rov. 3.5.3 van het arrest Hezemans Air/X). Ten slotte verklaart deze lezing waarom het hof in rov. 17 enerzijds spreekt van “het onrechtmatig handelen van [A] en [eisers]” en anderzijds oordeelt dat er te weinig is gesteld om bestuurdersaansprakelijkheid van de andere vennootschappen aan te nemen. Het hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien om appellanten sub 2 t/m 4 als bestuurders aansprakelijk te houden voor de door [verweerders] geleden schade. Over de eventuele aansprakelijkheid van [eisers] (appellanten sub 5 en 6) als bestuurders heeft het hof geen afzonderlijk oordeel gegeven. Dit was naar het kennelijke oordeel van het hof niet nodig, omdat zij reeds op grond van een door hen persoonlijk gepleegde onrechtmatige daad aansprakelijk waren. Daarom heeft het hof ermee volstaan om in rov. 17 alleen de aansprakelijkheid van de andere vennootschappen […]”
r.o. 3.9.3