Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 december 2015
Feitelijk bestuurder Arubaanse vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde advocaatfacturen; toepasselijk recht in appel
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een advocatenkantoor stelt de enig aandeelhouder en feitelijk bestuurder van een ontbonden Arubaanse vennootschap persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde facturen op grond van onrechtmatige daad. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat ambtshalve Arubaans recht had moeten worden toegepast. De A-G concludeert tot verwerping: de appelrechter was gebonden aan het oordeel over het toepasselijke recht, omdat daartegen niet was gegriefd. De maatstaven voor bestuurdersaansprakelijkheid gelden ook voor een feitelijk bestuurder.
Kernoverwegingen
“Art. 10:2 BW bepaalt dat de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve worden toegepast. Conflictregels zijn echter processueel niet van openbare orde. Heeft de rechter in eerste aanleg niet geoordeeld over de vraag naar het toepasselijke recht, dan dient de appelrechter op grond van art. 25 Rv jo. art. 10:2 BW het internationaal privaatrecht in beginsel ambtshalve toe te passen. Het grievenstelsel brengt echter mee dat de appelrechter slechts tot ambtshalve toepassing mag komen binnen het door de grieven ontsloten gebied. Heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat op grond van het conflictenrecht een bepaald recht van toepassing is, terwijl geen van de partijen tegen dit oordeel in appel is opgekomen, dan is de appelrechter gebonden aan het oordeel van de rechter in eerste instantie, tenzij een regel van openbare orde is geschonden. De appelrechter dient echter binnen de grenzen van de rechtsstrijd te blijven. Wordt in hoger beroep gegriefd tegen het door de rechter in eerste aanleg gegeven oordeel over het toepasselijke recht, dan dient de appelrechter deze grief te behandelen.”
r.o. 2.3
“In de onderhavige zaak heeft de rechtbank Amsterdam het Nederlandse recht toegepast door de in de jurisprudentie aanvaarde norm voor bestuurdersaansprakelijkheid, met name zoals deze volgt uit HR 18 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/X), naar analogie van toepassing te achten op degene die formeel geen bestuurder is maar die rol feitelijk wel vervult (rov. 4.5.3.). Tegen dit oordeel heeft [eiser] in hoger beroep geen grief gericht, zoals ook blijkt uit rov. 3.3 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat partijen in hoger beroep ‘eveneens – impliciet – van toepasselijkheid van Nederlands recht’ zijn uitgegaan. Zoals gezegd, conflictregels zijn processueel niet van openbare orde, zodat het hof aan het oordeel van de rechtbank over het toepasselijke recht gebonden is. Hierop stuit onderdeel 1 in zijn geheel af.”
r.o. 2.4
“Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover wordt betoogd dat het hof aansluiting heeft gezocht bij de in het subonderdeel genoemde wetsartikelen. Het hof heeft immers een persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] aangenomen die zijn grondslag vindt in art. 6:162 BW. Voor zover het subonderdeel betoogt dat voor de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] een wettelijke basis ontbreekt, gaat het onderdeel derhalve uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de maatstaven uit het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006 te hanteren ter beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag van [eiser] . De norm voor de in rov. 3.5 van dat arrest onder (ii) genoemde gevallen betreft – evenals de Beklamel-norm – een zorgvuldigheidsnorm die ingeval van schending een doen of nalaten oplevert in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. De overweging van de Hoge Raad dat een bestuurder jegens een schuldeiser onrechtmatig heeft gehandeld, indien hem, mede gelet op de verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, en het feit dat art. 2:9 BW spreekt over ‘bestuurder’ van een rechtspersoon, betekent niet dat de in het genoemde arrest gegeven maatstaven slechts gelden voor een formeel bestuurder. Deze normen hebben een breder bereik en gelden eveneens […]”
r.o. 2.12