Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 december 2015
Bestuurdersaansprakelijkheid stichting: verjaring, stuiting en grenzen van de rechtsstrijd
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een geldverstrekster stelt de bestuurder van een stichting in persoon aansprakelijk voor de niet terugbetaalde lening aan die stichting (Beklamel-norm). In cassatie gaat het alleen nog om verjaring en stuiting van die vordering. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing, omdat het hof zonder dat een beroep op stuiting was gedaan de verjaring als gestuit heeft aangenomen en zo buiten de rechtsstrijd is getreden. Bovendien zien de aflossingen en de aanmaning op de lening van de stichting en niet op de vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid.
Kernoverwegingen
“Naar mijn mening is onderdeel I.2 gegrond, nu de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat [verweerster] géén beroep op stuiting van de verjaring heeft gedaan. [verweerster] heeft de door het hof in rov. 4.17 aangehaalde feiten - te weten de “aflossingen op de lening” (bijlage 2 bij productie 12) en de “brief van 18 december 2009” (bijlage 4 bij productie 12) - niet aan een stuitingsverweer ten grondslag gelegd. In haar memorie van antwoord (onder 90-101) tegen het beroep op verjaring heeft [verweerster] slechts verweer gevoerd ten aanzien van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn en (onder 91) gesteld dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verweerster] heeft haar verweer in de memorie van antwoord onder 100-101 als volgt samengevat:
“100. De stelling van [eiser] dat eind 2002 vaststond dat de Stichting niet zou nakomen, kan om de hiervoor weergegeven redenen geen stand houden. [verweerster] wist pas met voldoende zekerheid dat de Stichting niet zou nakomen na de mededelingen van [eiser] namens de Stichting in de brief van 19 januari 2010 (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Eerst op dat moment is de schade ontstaan en is [verweerster] bekend geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon.
101. De slotsom is dat de vorderingen van [verweerster] op [eiser] om meerdere redenen niet zijn verjaard.”
Tijdens het pleidooi bij het hof op 26 juni 2014 is zijdens [verweerster] niet […]”
r.o. 2.5
“Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt tevens en meer specifiek dat de feitelijke grondslag van een beroep op stuiting van de verjaring niet mag worden aangevuld door dat beroep te gronden op feiten die niet in het kader van het beroep op stuiting zijn aangevoerd.”
r.o. 2.7
“Zoals hiervoor (onder 2.5) toegelicht, blijkt uit de gedingstukken niet dat [verweerster] een beroep op stuiting van de verjaring heeft gedaan. Het onderdeel klaagt derhalve terecht dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en art. 24 Rv heeft geschonden door het beroep van [eiser] op verjaring te verwerpen op een niet door [verweerster] aangevoerde grondslag.”
r.o. 2.8