Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 januari 2015
Vrijwaring na bestuurdersaansprakelijkheid; feitelijk bestuurder; middel voldoet niet aan artikel 407 Rv
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een bestuurder van een failliete vennootschap, die in de hoofdprocedure aansprakelijk is gehouden, heeft in een vrijwaringsprocedure vorderingen ingesteld tegen andere betrokkenen. De zaak gaat onder meer over de vraag wie feitelijk bestuurder was. De A-G concludeert dat de klachten in cassatie falen, onder meer omdat het middel grotendeels niet aan artikel 407 lid 2 Rv voldoet en het oordeel over het feitelijk bestuurderschap en het bewijsaanbod standhoudt. Hij concludeert tot verwerping.
Kernoverwegingen
“Het cassatiemiddel bevat zestien genummerde onderdelen (onderdelen 1 t/m 16). Voor een aanzienlijk deel van hetgeen door deze onderdelen naar voren wordt gebracht, geldt dat niet voldaan wordt aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel gesteld dienen te worden. Ik wijs op de vaste jurisprudentie over deze vereisten (zie onder meer HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, rov. 3.1):
- Volgens vaste rechtspraak dient een cassatiemiddel, dat moet zijn opgenomen in de cassatiedagvaarding of het cassatieverzoekschrift, te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden of deze niet naar behoren zijn gemotiveerd. - Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. - Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Deze laatste eis houdt meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. - Dit alles lijdt slechts dan uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en – zo nodig mede uit de gedingstukken – zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel […]”
r.o. 2.2
“Onderdelen 2 t/m 8 betogen, naar ik begrijp, dat het hof in rov. 2.1, 2.8 en 2.9 ten onrechte geoordeeld heeft dat [eiser] statutair bestuurder was van [A]. De onderdelen worden tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in de genoemde rechtsoverwegingen geoordeeld dat de stelling van [eiser] dat hij feitelijk niet fungeerde als bestuurder van [A] verworpen wordt omdat die stelling zich niet verdraagt met hetgeen hij verder in deze procedure naar voren heeft gebracht, alsmede dat ongegrond is de stelling van [eiser] dat niet hij maar uitsluitend [verweerder 1] feitelijk fungeerde als bestuurder van [A]. Dat oordeel van het hof wordt met onderdelen 2 t/m 8 niet op voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze bestreden. Ook voor het overige bevatten de onderdelen geen klachten die tot cassatie kunnen leiden.”
r.o. 2.4
“Onderdeel 9 klaagt, kort samengevat, dat voor zover het hof in rov. 2.1, 2.8 en 2.9 geoordeeld heeft dat [eiser] optrad als feitelijk bestuurder, dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De klachten van het onderdeel zijn ongegrond. Het genoemde oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen en betogen van dit onderdeel. Het onderdeel geeft op dit punt ook geen aanleiding tot het geven van een nadere toelichting.”
r.o. 2.5