← Week 5

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 januari 2015

Beheersverbod commanditaire vennoot: relevantie wetenschap wederpartij bij hoofdelijke aansprakelijkheid

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In deze conclusie vordert de Procureur-Generaal cassatie in het belang der wet van een arrest waarin commanditaire vennoten hoofdelijk aansprakelijk werden gehouden wegens overtreding van het beheersverbod, omdat zij overeenkomsten van de commanditaire vennootschap mede hadden ondertekend. Hij betoogt dat de wetenschap van de wederpartij dat het om commanditaire vennoten gaat, relevant moet zijn en dat de sanctie van artikel 21 WvK vooral bij misbruik van de commanditaire status moet worden toegepast. Hij ondersteunt dit met historische en rechtsvergelijkende argumenten.

Kernoverwegingen

“Wordt dit verbod overtreden, dan is de commanditaire vennoot, zo bepaalt art. 21 WvK, ‘wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden’. Dat is een zware sanctie voor een commanditaire vennoot die juist niet hoofdelijk aansprakelijk wil zijn, maar dat slechts tot het bedrag van zijn inbreng is. Naar vaste rechtspraak sinds HR 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius) wordt art. 20, lid 2 jo. 21 WvK zo uitgelegd dat voor de toepassing ervan niet relevant is of de wederpartij van de commanditaire vennootschap wist dat hij met een commanditaire vennoot handelde en dus wist dat deze slechts tot het bedrag van zijn inbreng aansprakelijk is. In het voetspoor hiervan heeft het hof in het thans voor cassatie in belang der wet voorgedragen arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de derde (in casu de verhuurder) op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat [eisers] niet beherend maar commanditair vennoot waren, niet relevant is voor het antwoord op de vraag of [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de CV jegens [verweerder] verschuldigde personeelsvergoedingen (zie rov. 4.7 van ’s hofs arrest). Ik heb hiertegen bezwaar. Daarbij komt dat ik het vreemd vind dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] de schijn jegens derden (waartoe –neem ik aan – ook de wederpartij [verweerder] behoort) hebben opgewekt dat zij beherende vennoot zijn terwijl daarvoor niet terzake doet of de wederpartij wist dat [eisers] geen beherende, maar commanditaire […]”

r.o. 3.2

“Een later arrest is HR 11 april 1980, NJ 1981/377 m.nt. BW (Sleephelling Maatschappij Scheveningen/Buis). Dat arrest had betrekking op een overtreding van de andere grond voor toepassing van art. 21 WvK, namelijk het voorschrift in art. 20 lid 1 WvK dat de naam van de commanditaire vennoot niet in de naam van de vennootschap mag voorkomen. De Hoge Raad wijdde enkele algemene overwegingen aan art. 21 WvK, die ik hieronder aanhaal:

“[…] Kennelijk heeft de wetgever art. 21 bedoeld als een sanctiebepaling die ertoe strekt te voorkomen dat vennoten zich met een beroep op hun status van commanditaire vennoot zouden kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die art. 18 voorziet voor de gewone vennoten, wanneer zij op een van de in art. 20 aangegeven manieren een onduidelijkheid zouden laten bestaan over hun rechtspositie in de vennootschap. Wil er dan ook van een 'overtreding' door de commanditaire vennoot, als bedoeld in art. 21, gesproken kunnen worden, dan zal degene tegen wie de vergaande sanctie van art. 21 wordt ingeroepen, ter zake van het niet voldaan zijn aan het voorschrift van art. 20 eerste of tweede lid op de een of andere manier een verwijt moeten kunnen worden gemaakt. Wat het voorschrift van het eerste lid van art. 20 betreft — waar het in cassatie om gaat — ligt een zodanige verwijtbaarheid niet zonder meer opgesloten in het feit dat de naam van de commanditaire vennoot in de firma gebezigd werd zonder dat deze vennoot zich daartegen heeft verzet. Van het zich […]”

r.o. 3.10

“Het is twijfelachtig of de sanctie op overtreding van het bestuursverbod werkelijk als een strenge strafbepaling bedoeld is. Men kan art. 20/21 WvK ook als een derdenbeschermingsbepaling lezen die in het leven is geroepen om misbruik van de commanditaire status ten nadele van een onwetende wederpartij tegen te gaan. Het gaat dan om situaties waarbij de commanditaire vennoot in het licht van zijn beperkte aansprakelijkheid roekeloze of onverantwoorde handelingen verricht ten nadele van derden of dat de commanditair bij derden al dan niet bewust de indruk wekt of in stand laat dat hij met zijn gehele vermogen voor de schulden van de vennootschap staat en zich bij niet-nakoming door de vennootschap met succes achter zijn commanditaire status verschuilt. Voor zo’n meer soepele benadering zijn ook goede historische en rechtsvergelijkende argumenten aan te voeren. Daarbij komt nog dat, zo art. 21 WvK al als een strafbepaling moet worden aangemerkt, te betwijfelen valt of deze enig effect kan sorteren wanneer de beherend vennoot solvabel is, aangezien de commanditaire vennoot die het bestuursverbod heeft overtreden naar algemene opvatting regres kan nemen op de beherende vennoten voor hetgeen bij boven zijn inbreng uit hoofde van art. 21 WvK aan derden heeft betaald. In zo’n geval komt van een (zware) straf voor de commanditaire vennoot niets terecht.”

r.o. 3.15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:46
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
30 januari 2015
Datum publicatie
12 februari 2015
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
6:2 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 5 van 2015

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.