Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 januari 2015
403-verklaring: gevolgen dading met dochter voor hoofdelijke aansprakelijkheid moedermaatschappij
- Overig Boek 2
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een moedermaatschappij heeft een 403-verklaring afgelegd voor de schulden van haar dochter. Na een dading tussen een schuldeiser en de curator van de dochter vraagt de zaak welk gevolg dat heeft voor de aansprakelijkheid van de moeder. De A-G concludeert dat een verklaring van louter hoofdelijke aansprakelijkheid hoofdelijkheid in de zin van Boek 6 BW is en geen borgtocht. De dading tast de vordering op de moeder daarom alleen aan voor zover daadwerkelijk is betaald, en het cassatieberoep moet worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Bij het door mr. Eikendal q.q. verdedigde standpunt omtrent de aard en werking van een 403-verklaring, die naar zijn bewoordingen inhoudt de aanvaarding door de moedermaatschappij van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit rechtshandelingen voortspruitende schulden van een vrijgestelde groepsmaatschappij, komt aan de hoofdelijke aansprakelijkheid een werking toe die overeenkomt met die van een borgtocht.() Bij een werking van de hoofdelijke aansprakelijkheid als die van een borgtocht zal de mate waarin de moedermaatschappij uit hoofde van de aanvaarde hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden aangesproken, afhangen van de mate waarin op dat moment de vrijgestelde groepsmaatschappij (nog) zelf voor de betrokken schuld kan worden aangesproken. In zijn Akzo Nobel/ING-arrest van 28 juni 2002() heeft de Hoge Raad evenwel toekenning van de werking aan een 403-verklaring als die door mr. Eikendal q.q. verdedigd, afgewezen. De Hoge Raad vat daarbij de 403-verklaring op als een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moeder-maatschappij ontstaat (rov. 3.4.3). Wat een dergelijke 403-verklaring in een concreet geval inhoudt of meebrengt, moet, aldus de Hoge Raad, door uitleg van de betrokken verklaring worden vastgesteld (rov. 3.4.2). Na vooropgesteld te hebben dat de door Akzo Nobel als moedermaatschappij afgelegde 403-verklaring inhoudt dat Akzo Nobel zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor schulden […]”
r.o. 2.6
“In de verwerping door de Hoge Raad van de oordelen dat er sprake zou zijn van een afhankelijk recht of dat die hoofdelijke aansprakelijkheid op één lijn zou zijn te stellen met borgtocht, ligt besloten dat naar het oordeel van de Hoge Raad, wanneer een 403-verklaring niet meer inhoudt dan de aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid als zodanig, die hoofdelijke aansprakelijkheid naar zijn aard en werking is op te vatten als een hoofdelijke verbondenheid zoals voorzien in afdeling 2 van boek 6 BW. Bij die hoofdelijke verbondenheid geldt blijkens artikel 6:7 BW als uitgangspunt dat de betrokken crediteur jegens iedere hoofdelijk verbonden schuldenaar een apart recht op nakoming voor het geheel heeft en dat nakoming door een van de schuldenaren, waarmee inbetalinggeving en verrekening gelijk zijn te stellen, bevrijdend werkt voor de andere schuldenaren. Afstand van recht tegenover één van de schuldenaren heeft blijkens artikel 6:9 BW die bevrijdende werking daarentegen niet, behoudens voor zover het gaat om een afstand van recht om niet, die afstand ook bedoeld is voor de andere schuldenaren en de schuldenaar tot wie de afstandsverklaring is gericht, de afstand aanvaardt. Ook andere lotgevallen met betrekking tot één van de vorderingen, zoals verjaring van de rechtsvordering en in verzuim geraken van één van de schuldenaren, beïnvloeden de vordering op een andere hoofdelijk verbonden schuldenaar niet.()”
r.o. 2.7
“De compensatie voor het verminderde inzicht in de financiële/economische situatie van de vrijgestelde groepsvennootschap kan worden gevonden in een 403-verklaring, waarbij de moedermaatschappij zich voor de schulden van de vrijgestelde groepsvennootschap niet verder hoofdelijk verbindt dan het geval is bij borgtocht. Maar de compensatie kan evenzeer bestaan uit een zich hoofdelijk verbinden door de moedermaatschappij op de voet van de hoofdelijke verbondenheid als voorzien in afdeling 2 van boek 6 BW. In het feit dat de moedermaatschappij ervoor kiest om een groepsmaatschappij aan het economisch verkeer te doen deelnemen zonder aan de andere deelnemers aan dat verkeer het gebruikelijke inzicht in de financieel/economische situatie van de groepsmaatschappij te bieden, kan evenzeer een rechtvaardiging worden gevonden om uit de 403-verklaring een meer zelfstandige vordering jegens de moedermaatschappij af te leiden. De betrokken groepsmaatschappij komt daardoor immers dichter aan te liggen tegen het zijn van een onzelfstandig bedrijfsonderdeel van de moedermaatschappij. Nu de betekenis van een 403-verklaring afhangt van de uitleg van de concreet afgelegde verklaring, ligt het bij die stand van zaken in de reden om aan een 403-verklaring, die niet meer inhoudt dan een aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid als zodanig, eerder de betekenis toe te kennen van een zich hoofdelijk verbinden op de voet van afdeling 2 van boek 6 BW dan de betekenis van een zich hoofdelijk […]”
r.o. 2.8