Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 april 2015
Verjaring vordering uit 403-verklaring moedermaatschappij; kenbaarheid juridische fusie
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Overig Boek 2
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een pandhouder spreekt een moedermaatschappij aan op grond van een aansprakelijkheidsverklaring als bedoeld in artikel 2:403 BW voor schulden van een inmiddels gefuseerde dochter. De A-G concludeert dat de vordering verjaard is, omdat die tegelijk met de vorderingen op de dochter opeisbaar werd. Ook de fusie was kenbaar uit het handelsregister en een aparte mededelingsplicht ontbreekt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De klachten van onderdelen 1.1 en 1.2 zijn ongegrond. Het hof heeft geoordeeld dat de door Eneco afgegeven aansprakelijkheidsverklaring aldus uitgelegd dient te worden dat er ingevolge die verklaring op het tijdstip van ontstaan van de vorderingen op Etis, tevens opeisbare vorderingen op Eneco ontstonden uit hoofde van die aansprakelijkheidsverklaring. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verjaringstermijn voor een op die aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering aanving op het moment waarop die vordering ontstond. Zie rov. 7 t/m 9 van het bestreden arrest. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De tegen deze oordelen gerichte klachten van onderdelen 1.1 en 1.2 falen derhalve.”
r.o. 3.3
“De klachten van onderdeel 3 zijn ongegrond. Het hof verwerpt in rov. 12 t/m 16 onder meer de stelling van [eiseres] dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat de fusie tussen Etis en Citytec niet op de juiste wijze openbaar zou zijn gemaakt en [eiseres] niet van de fusie op de hoogte zou zijn geweest. Dat oordeel getuigt, in elk geval voor zover het oordeel voldoende gemotiveerd en met voldoende bepaaldheid en precisie bestreden wordt, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is in het licht van de klachten van onderdeel 3 ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ik verwijs naar de bestreden rechtsoverwegingen. Een en ander behoeft hier geen nadere toelichting.
Onderdeel 4”
r.o. 3.17
“De klachten van onderdelen 4.1 t/m 4.4 zijn ongegrond. Onderdeel 4.1 faalt reeds omdat, anders dan het onderdeel veronderstelt, niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat Etis en/of Eneco tekortgeschoten zijn in de naleving van een relevante mededelingsplicht; zie rov. 12 en 13 van het bestreden arrest. Onderdeel 4.2 keert zich tevergeefs tegen het oordeel van het hof (in rov. 12) dat uit de destijds geldende Richtlijn 68/151 niet de verplichting voor Etis of Citytec kan worden afgeleid om DVO P (of [eiseres]) afzonderlijk van de fusie op de hoogte te stellen. Het genoemde oordeel geeft als zodanig geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is verder niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook de klachten van onderdelen 4.3 en 4.4 falen. Het oordeel van het hof dat het beroep van Eneco op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is als zodanig niet onjuist en behoefde ook geen nadere motivering, ook niet in het licht van de door onderdelen 4.3 en 4.4 aangeduide feiten en stellingen.
Slotsom”
r.o. 3.22