Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 mei 2015
Persoonlijke aansprakelijkheid advocaten bij opdracht aan maatschap; praktijkvennootschap en ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een cliënt sprak twee advocaten persoonlijk aan wegens een beroepsfout, terwijl de opdracht was gegeven aan een maatschap waarin een van hen via zijn praktijkvennootschap deelnam. De A-G concludeert dat persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad buiten een contractuele relatie met terughoudendheid moet worden aangenomen en bijkomende omstandigheden vergt, en conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Ook de klacht over het niet oproepen van een niet gedagvaarde maat (artikel 118 Rv) faalt.
Kernoverwegingen
“In de door de Hoge Raad geformuleerde regel wordt, als ik het goed zie, anders dan in die van de plv. P-G, niet aangeknoopt bij de bijzondere omstandigheden van het geval. Maar één bijzonderheid speelt in de door de Hoge Raad geformuleerde regel wél een – allicht belangrijke, zoal niet beslissende – rol: de omstandigheid dat E bestuurder was. Aldus gelezen is de boodschap van het arrest dat een vrije beroepsbeoefenaar die zich om welke reden dan ook hult in het kleed van een eigen rechtspersoon waarvan hij zelf bestuurder is, op het stuk van de aansprakelijkheid voor zijn handelen niet anders moet worden beoordeeld als eenzelfde beroepsbeoefenaar die zich niet in zo’n kleed heeft gestoken. Daargelaten hoe dat juridisch nauwkeurig kan worden verklaard (wat niet zo belangrijk is omdat arresten van Uw Raad het geldend recht weergeven) kan deze aanpak slechts op sympathie rekenen.”
r.o. 3.10
“M.i. past voorzichtigheid om, buiten een directe contractuele relatie, al te gemakkelijk externe persoonlijke aansprakelijkheid aan te nemen van een bestuurder van een vennootschap op grond van een eigen onrechtmatige daad. Dat geldt al helemaal voor een werknemer die geen conctractuele band heeft met de derde/benadeelde. Aansprakelijkheid valt, bezien vanuit maatschappelijk oogpunt, mogelijk te rechtvaardigen bij personen die zich hullen in een vennootschappelijk kleed, ook wanneer dat gebeurt om honorabele redenen. Juridisch is die aansprakelijkheid daarmee nog niet steeds gemakkelijk verklaarbaar.
3.27.1 Raaijmakers schiet misschien door wanneer hij de in het Spaanse villa-arrest geplaveide weg niet de juiste richting noemt, in essentie deel ik zijn mening. In dat kader wijst hij op de maatschappelijke impact “op vele geïncorporeerde dienstverleners, starters, ZZP’ers en de verschuiving naar persoonsgebonden activiteiten in onze i-samenleving”
3.27.2 Er zijn ongetwijfeld situaties waarin het alleszins wenselijk is om iemand die, schoon bestuurder van een eigen vennootschap, “toevallig” niet in die hoedanigheid handelt (omdat wij juristen dat handelen verkiezen zo te bestempelen) persoonlijk aansprakelijk te houden en op zijn handelen het etiket onrechtmatig te plakken. Maar m.i. zouden dat uitzonderingssituaties moeten zijn omdat anders te mistig wordt wanneer en waarom die persoonlijke aansprakelijkheid op basis van eigen onrechtmatig handelen bestaat. Wanneer men zou […]”
r.o. 3.26
“Zoals reeds vermeld, heeft het Hof niet vastgesteld dat [verweerder 1] bestuurder is van zijn B.V. Voldoende klemmende redenen om hem persoonlijk aansprakelijk te achten, zie ik niet. Het onderdeel doet er ook geen beroep op. Ditzelfde geldt a fortiori voor [verweerder 2] . Daarom houd ik de klacht voor ongegrond.”
r.o. 3.31.1