Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 november 2016
Internationale bevoegdheid bij vordering tegen Duitse bestuurder-werknemer op grond van artikel 2:9 BW
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een Nederlandse vennootschap spreekt haar in Duitsland wonende voormalige directeur en bestuurder aan wegens onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW), opzet of bewuste roekeloosheid en onrechtmatige daad. Na de prejudiciële beslissing van het HvJEU concludeert de A-G dat, nu een arbeidsovereenkomst bestaat, alle vorderingen moeten worden gebracht bij de rechter die bevoegd is op grond van de bijzondere bevoegdheidsregels voor arbeidsovereenkomsten in de EEX-Verordening. De Nederlandse rechter is daarom onbevoegd, en de A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Alvorens de klachten van het cassatiemiddel te bespreken, merk ik het volgende op. In de onderhavige zaak is [verweerder] aangesproken zowel uit hoofde van het niet-nakomen van zijn verplichtingen als directeur in dienst van [eiseres 1] als uit hoofde van het niet-nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn functie van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van deze vennootschap. In dit verband wijs ik erop dat het HvJEU in rov. 32 het volgende heeft overwogen:
‘De enkele omstandigheid dat een verzoeker in zijn verzoekschrift meerdere aansprakelijkheidsgronden aanvoert, volstaat niet om te concluderen dat zijn beroep onder elk van de ingeroepen bepalingen kan vallen. Dat is slechts anders indien de verweten gedraging kan worden beschouwd als niet-nakoming van de verbintenissen uit hoofde van die bepalingen, en het is aan de nationale rechter, die te verifiëren (zie naar analogie arrest Brogsitter, C-548/12, EU:C:2014:148, punt 24)’.”
r.o. 2.2
“Uit de prejudiciële beslissing volgt dat het voor de onderhavige zaak van belang is om na te gaan of [verweerder] in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder aan [eiseres 1] gebonden is geweest door een ‘individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst’ in de zin van artikel 18 lid 1 EEX-Vo (rov. 48). Indien [verweerder] ‘in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder gezag van die vennootschap prestaties heeft verricht tegen betaling’, zijn de bevoegdheidsregels van afdeling 5 van hoofdstuk II van de EEX-Verordening van toepassing en niet de bevoegdheidsregels van art. 5 sub 1 en sub 3 EEX-Vo (rov. 49 en het dictum). Hieruit volgt dat de bevoegdheidsregels van art. 5 sub 1 en sub 3 EEX-Vo pas voor toepassing in aanmerking komen wanneer de verwijzende rechterlijke instantie mocht vaststellen dat [verweerder] zijn functies (die van directeur én van bestuurder) niet als werknemer van [eiseres 1] heeft uitgeoefend (zie rov. 51 en 67).”
r.o. 2.5
“De consequentie van de prejudiciële beslissing is dat wanneer een directeur/bestuurder van een vennootschap in een arbeidsrechtelijke relatie tot die vennootschap staat, eventuele vorderingen die de vennootschap tegen haar directeur/bestuurder aanhangig maakt uit hoofde van door die persoon in de uitoefening van die functies gemaakte fouten, moeten worden gebracht voor de rechter die op basis van de autonome bevoegdheidsregeling van afdeling 5 van hoofdstuk II van de EEX-Verordening bevoegd is. Uiteraard moet dan worden onderzocht of er in het kader van die bevoegdheidsbepalingen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de door het Hof gegeven autonome uitlegging van het begrip ‘arbeidsovereenkomst’. Is daarvan sprake, dan kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op art. 5 sub 1 of art. 5 sub 3 EEX-Vo.”
r.o. 2.6