Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 november 2016
Externe aansprakelijkheid tweedegraads bestuurder wegens crediteurenbenadeling via sale-and-lease-back; artikel 2:11 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een leverancier sprak een tweedegraads bestuurder van een gefailleerde commissionair persoonlijk aan wegens crediteurenbenadeling via een geantedateerde sale-and-lease-back-overeenkomst. De A-G acht de klachten over het persoonlijk ernstig verwijt en de schadebegroting in het principaal beroep ongegrond. Het incidenteel middel over de reikwijdte van artikel 2:11 BW faalt bij gebrek aan belang. Eén klacht over de schadebegroting slaagt, omdat het hof het aanwezige actief voor de overige schuldeisers buiten beschouwing liet.
Kernoverwegingen
“De klacht van subonderdeel 2.1 is ongegrond. Voor de vaststelling van externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad dient het hof toepassing te geven aan de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaf die inhoudt dat een bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden, waarbij het antwoord op de vraag of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In rov. 4.9 van het eerste arrest heeft het hof deze maatstaf niet miskend of onbegrijpelijk toegepast nu het hof daarin heeft uiteengezet, onder verwijzing naar de maatstaf, welke feiten en omstandigheden voor hem redengevend waren om tot aansprakelijkheid van [eiser] te komen. Ik verwijs naar de uitgebreide uiteenzetting van het hof in rov. 4.9.”
r.o. 3.18
“De omstandigheid dat [betrokkene 1] een mogelijk groter aandeel heeft gehad in de benadeling van de schuldeisers van [A] dan [eiser] , doet niet af aan het oordeel van het hof omtrent de eigen aansprakelijkheid van [eiser] als indirecte bestuurder van [A] en bestuurder van Holding. Deze hoedanigheden brengen verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken in [A] en de bescherming van de op die vennootschap betrokken belangen. Aan die verantwoordelijkheid kan [eiser] zich niet onttrekken. Het subonderdeel faalt.”
r.o. 3.19
“Voor dit subonderdeel verwijs ik in de eerste plaats naar onderdeel 3.18 van deze conclusie. Voorts miskent het subonderdeel dat het hof in rov. 4.9 van het eerste arrest het persoonlijk ernstig verwijt aan de zijde van [eiser] niet slechts heeft aangenomen op grond van het feit dat [eiser] betrokken was bij de Sale & Lease Back overeenkomst en/of de strategische herstructurering. Het subonderdeel gaat eraan voorbij dat het hof in rov. 4.9 van het eerste arrest een opsomming geeft van diverse feiten en omstandigheden in het licht waarvan [eiser] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn betrokkenheid bij (het aangaan van) de Sale & Lease Back overeenkomst. Het subonderdeel miskent dat ook ‘gewone’schuldeisers verhaal op de goederen van [A] kunnen nemen en in hun verhaalsmogelijkheden kunnen worden benadeeld. Hierop stuit de klacht af.”
r.o. 3.23